Blogs en ander nieuws over De Witt

Tijdens het werk aan de brieven van Johan de Witt komen we vaak bijzondere zaken tegen. Dat kunnen noemenswaardige personen zijn, vreemde voorvallen, persoonlijke voorvallen, opvallende materiële zaken, enzovoort. Vooruitlopend op de openstelling van het Johan de Witt-archief door het Nationaal Archief, zullen we hiervan via blogs en tweets (@JohandewittNL) melding maken.

Zielige recommandatieverzoeken

"mij bij de beste occasie aen de Edel Mogende heeren Gecommitteerde Raden soude voordragen ende recommanderen teneynde haer Edel Mogende goede geliefte mochte wesen mij te beneficeren met een extraordinaire clercqplaets," aldus Joris Dimmer in 1656 in een memorie aan Johan de Witt.

Brief van Joris Dimmer   NL-HaNA Raadp. De Witt, 3.01.17; 31, omslagnummer 9134

Johan de Witt kreeg als raadpensionaris zeer regelmatig verzoeken om recommandatie binnen. Dat hij deze ontving, is niet verwonderlijk; door zijn functie had hij aanzienlijke mogelijkheden om iemand van een positie te verzekeren. Hij kon een uitgebreid netwerk aan contacten inzetten om de stemming over een positie nog vóór deze plaatsvond te beslissen. Ondanks dit was Johan voorzichtig met zijn macht; nepotisme, begunstiging van onbekwame personen en andere kwade praktijken zouden zijn imago immers schade berokkenen. De Witt diende voor een recommandatie verschillende afwegingen te maken. Vrienden en familie moesten tevreden worden gehouden, terwijl anderen tegengewerkt moesten worden. Hij kon het zich niet veroorloven Jan en alleman aan te bevelen.

Toen Joris Dimmer in 1656 om een klerkplaats vroeg, was dit niet zijn eerste verzoek aan De Witt. In een brief van 17 april 1655 verzocht hij De Witt om zijn broer, Hendrick Dimmer, 'te licentieren', die in Amsterdam "(onder demoedige reverentie) sijnen dienst aen u wel Edele Gestrenge [had] gepresenteert". "Twijffele over sulcx niet, off u wel Edel Gestrenge sal in sijnen dienst goede satisfactie ende contentement scheppen".(1) Het wordt uit de brief niet duidelijk welke functie Hendrick op het oog had. Het zou kunnen dat hij als knecht aangenomen wilde worden; uit een brief van 1656 van Hendrick Dimmer aan De Witt zou blijken dat hij Johan's knecht was, Joris' verzoek was dus succesvol.(2)

Uit een memorie die Joris Dimmer op 16 juni 1656 De Witt stuurde, blijkt dat hij ditmaal zélf werk zocht:

waarin ick mijne vigilantie ende neersicheyt soodanich soude gebruicken, gelijck als ick ontrent de twintich jaren langh hebbe gedaen, ten dienste van de clercquen op de Griffie van Haer Ho: Mo:, in 't schrijven van de resolutiën, alsmede onder anderen veele Latijnse ende Franse stucken, in dewelcke uyt weynich gecorrigeert is geweest.(3)

Mocht De Witt bewijs willen hebben van Joris' kunnen, dan konden 'de voorz. clerquen' hiervan 'goede getuygenisse' geven. Hij maakte hiermee duidelijk dat hij niet de eerste de beste was. Dit leverde hem blijkbaar toch geen baan op want hij stuurde dat jaar nog een memorie. In die memorie laat Dimmer weten dat hij de positie extraordinaris-klerk bij de Staten van Holland aspireert. Bekwaam of niet, zijn afkomst zat hem niet mee. Zijn broer mocht dan wel De Witt's knecht zijn, Joris Dimmer kwam niet uit een vooraanstaande familie. Vermoedelijk zou hij mede daarom besloten hebben De Witt ook in te lichten over zijn thuissituatie om zo een beroep op zijn geweten te doen. Zo schreef hij, na gevraagd te hebben of De Witt zijn verzoek 'favoorabelijck' kon 'disponeren', dat:

Ick tegenwoordich geheelijck in geen employ en ben, ende ben beswaert met vrou ende vijff arme naeckte soete kinderkens. Als oock terwijle het wintersaisoen seer naebij compt, waerdoor geschapen staet dat onse familie noch meer ende meer armoede ende bedroeftheyt te verwachten is, 'twelck ick hoope dat den Almogenden Godt sal verhoeden, wien ick geduyrichd sal bidden (...) (4)

Het bovenstaande drama mocht niet baten, Dimmer kreeg niet zijn gewenste positie als extraordinaris-klerk. Het kan aan zijn komaf hebben gelegen: kon de raadpensionaris het zich veroorloven de broer van zijn knecht te bevoordelen? Daarnaast is het mogelijk dat de concurrentie beter (vaardiger of van betere geboorte) was. Wat de reden ook mag zijn, De Witt zal er goed over nagedacht hebben.

Brief van Joris Dimmer   Pensnijdende klerk, toegeschreven aan R. Brakenburgh

Dimmer zat hierdoor echter zonder werk, zo blijkt uit een memorie met wederom een recommandatieverzoek dat hij op 3 januari 1657 naar De Witt zond. Ditmaal vroeg hij Johan om:

mij een letterke van voorschrijvens te geven aen de heeren Bewinthebbers van de Oostindische Compaignie tot Rotterdam, teneynde dat ick bij haer Edelheden mocht gebenficeert worden met een assistens- ofte corporaelsplaets van de adelborsten op het schip dat aldaer wort gereet gemaeckt om naer Oostind. te varen.(5)

Blijkbaar had Dimmer zijn horizon wat betreft banen verbreed, hij moest wel, wilde hij zijn gezin onderhouden. Het is onduidelijk of Joris Dimmer deze plaats heeft gekregen; we worden in ieder geval niet ingelicht over zijn avonturen in Indië. Dit is de laatste brief die Dimmer De Witt stuurde; we kunnen slechts hopen dat Joris, zijn vrouw en zijn kinderen ondanks de afwijzing van de raadpensionaris uiteindelijk niet te veel 'armoede ende bedroeftheyt' hebben hoeven meemaken.

Jurriaan Wink, 6 januari 2016

Voetnoten:

1. Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 31, omslagnummer 9134, Brief d.d. 14 april 1655, Joris Dimmer aan Johan de Witt.
2. Brief d.d. 19 april 1656, Hendrick Dimmer aan Johan de Witt: R. Fruin en N. Japikse, Brieven aan Johan de Witt. Eerste deel. 1648-1660 (Amsterdam 1919) 182.
3. Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 31, omslagnummer 9134, Brief d.d. 16 juni 1656, Joris Dimmer aan Johan de Witt.
4. Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 31, omslagnummer 9134, Brief d.d. 1656, Joris Dimmer aan Johan de Witt.
5. Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 31, omslagnummer 9134, Brief d.d. 3 januari 1657, Joris Dimmer aan Johan de Witt.

Literatuur:

Paul Knevel, Het Haagse bureau. 17de-eeuwse ambtenaren tussen staatsbelang en eigen belang (Amsterdam 2001).

Afbeelding:

Foto RKD - Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag - (https://rkd.nl/nl/explore/images/243345)