Blogs en ander nieuws over De Witt

Tijdens het werk aan de brieven van Johan de Witt komen we vaak bijzondere zaken tegen. Dat kunnen noemenswaardige personen zijn, vreemde voorvallen, persoonlijke voorvallen, opvallende materiële zaken, enzovoort. Vooruitlopend op de lancering van de database met de correspondentie van Johan de Witt zullen we hiervan via blogpagina's en tweets regelmatig melding maken. Volg ons daarom ook via Facebook: Johan de Witt NL, Instagram en Twitter: @JohandewittNL.

 

Vrouwenpraat over een vredespenning

 

Hoewel de Vrede van Breda (1667) een einde maakte aan de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, was het niet direct koek en ei tussen beide landen. Vijandigheden tussen de Republiek en Engeland bleven bestaan, ook - en misschien wel vooral - op het diplomatieke toneel. Daarvan was Anthonie Gunther van Kinschot, secretaris van de Nederlandse ambassade in Engeland, in 1669 getuige. In een brief aan raadpensionaris Johan de Witt vertelde hij hoe de Republiek zich de woede van de Engelsen op de hals had gehaald met een vredespenning.

Brief Van Kinschot aan De Witt, 14 mei 1669. Nationaal Archief,
Den Haag Johan de Witt, Raadpensionaris van Holland, 3.01.17, 1729.

 

Venijnige vredespenning

Anthonie Gunther van Kinschot (1638-1700) was in 1668 naar Engeland gereisd als persoonlijk secretaris van de Nederlandse ambassadeur Johan Boreel (1621-1673).(1) Het jaar daarop werd hij aangesteld als secretaris van de gehele ambassade, en schreef hij dus brieven in opdracht van zowel Boreel als Johan Meerman (1624-1675), de andere Nederlandse ambassadeur in Engeland. In die functie hield hij De Witt wekelijks op de hoogte. Aan de brieven van ambassadesecretarissen is weinig aandacht besteed in de bronnenpublicaties van de correspondentie van De Witt.(2) Dit komt waarschijnlijk doordat de belangrijkste onderhandelingen en politieke gebeurtenissen in de brieven van de ambassadeurs zelf werden beschreven. Toch vertellen de brieven van de secretarissen ons veel over het onderhandelingsproces en het dagelijks leven van de ambassadeurs en hun gevolg, en hielden Van Kinschot en zijn collega's De Witt op de hoogte van gebeurtenissen aan de buitenlandse hoven en de geruchten die daar circuleerden.

In mei 1669 kreeg Van Kinschot te maken met een delicate situatie, waarover hij De Witt met spoed een brief stuurde. Hij had zulke belangrijke berichten voor de raadpensionaris dat hij niet kon wachten totdat hij zijn wekelijkse brief zou sturen en hij klom, zodra hij wist hoe de vork in de steel zat, in de pen. Twee dagen eerder was er aan het Hof een penning getoond, die in de Republiek geslagen zou zijn. Het was niet zomaar een munt, maar een die de Slag bij Chatham en de Vrede van Breda herdacht.(3) Op de ene kant stonden de in brand staande schepen bij Chatham, met daaronder de woorden: Procul hinc mala bestia regnis ('Verdwijn uit deze rijken, slecht beest'); op de andere kant werd de vrede afgebeeld met daarbij de woorden: Rediit Concordia Mater ('De moeder [van de vrede] is door eendracht teruggekeerd').(4)

Penning over de Vrede van Breda. Ontworpen door Jan Zoet en vervaardigd door Christoffel Adolphi in 1667-1668. Nu in het bezit van het Teylers Museum.

 

De Engelsen, onder wie ook koning Karel Stuart II, waren niet te spreken over deze munt. Het was volgens hen geen 'teycken van broederlijck en in goede confidentie te leven', maar het werd door hen ervaren als provocatie. Toen Engeland de Republiek in 1672 opnieuw de oorlog verklaarde, werden de vijandige en beledigende boodschappen in Nederlandse penningen en ander propagandamateriaal genoemd als casus belli.(5)

Van Kinschot was ervan overtuigd dat de medaille geenszins als vijandigheid bedoeld was, maar dat zij gemaakt was als bedankje voor de Nederlandse kapiteins. Hij hoopte dat zijn kennissen aan het Hof dit de Koning duidelijk konden maken, maar hij merkte bij zijn eigen bezoek dat de Koning de Republiek toch kwaadgezind was. De Engelsen hadden de medaille namelijk zo geïnterpreteerd dat de woorden 'mala bestia' op de Engelse koning sloegen, die dan dus door de Nederlanders 'slecht beest' werd genoemd. Hoewel het volgens Van Kinschot om een 'kleyne beuselingh' (lariekoek) ging, waren de gemoederen aan het Engelse Hof zo hoog opgelopen dat hij vond dat De Witt daarvan op de hoogte moest worden gesteld.

Koning Karel II door John Michael Wright (tussen 1660-1665 vervaardigd)

 

'Vrouwen discours': mevrouw Arlington als bron

De brief van Van Kinschot biedt een aardig inkijkje in de diplomatieke ruzies die na de Vrede van Breda plaatsvonden, maar de brief is ook op een andere manier interessant. Er blijkt namelijk uit dat in het informatiecircuit aan het Hof een grote rol weggelegd was voor vrouwen.

Allereerst beschrijft Van Kinschot de avond waarop de medaille aan het Hof werd getoond en besproken. Alle omstanders zagen de medaille, maar 'in sonderheyt de Duytsche dames'. Waarschijnlijk bedoelde Van Kinschot daarmee de Nederlandse dames die aan het Hof verkeerden. In dat geval werden de Nederlanders aan het Engelse Hof dus aangekeken op de 'fouten' die er in de Republiek zelf gemaakt werden. Wellicht was het dan ook een van deze dames, of een bode in opdracht van een van deze dames, die Van Kinschot van de gebeurtenissen op de hoogte stelde.

De avond dat de penning aan het Engelse Hof werd getoond, was Van Kinschot al naar bed ('van boven gegaen'), maar de volgende ochtend vroeg vertrok hij naar het Hof om daar met enkele ingewijden over het voorval te spreken. In zijn brief aan De Witt noemt de secretaris expliciet de naam van 'Mevrouwe Arlington'. Zij drong erop aan dat Van Kinschot de raadpensionaris zou schrijven. Het was ook dezelfde mevrouw Arlington die Van Kinschot even later in haar kabinet toevertrouwde dat de Fransen van de situatie gebruikmaakten en over de zaak bezig bleven. Zo probeerden ze de Koning een 'quade impressie' van de Republiek te geven. De oplossing was, volgens mevrouw Arlington, het sturen van een ambassadeur om de zaak te sussen. In die tijd was ambassadeur Boreel korte tijd terug naar de Republiek en dus stond Van Kinschot er even alleen voor. Ook in andere brieven meldt Van Kinschot dat er werd gevraagd om een bezoek van een ambassadeur, en wel van Coenraad van Beuningen.(6) Dit keer vroeg mevrouw Arlington om 'iemant van credijt in de provintie van Hollant', waarmee zij inderdaad Van Beuningen bedoeld kan hebben.(7)

Elisabeth van Nassau-Beverweert in 1651
(Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=urn:gvn:ICN01:2677

 

Mevrouw Arlington was dus een belangrijke bron van informatie voor Van Kinschot en haar bemoeienis met de zaak getuigt van haar kennis van de diplomatieke verhoudingen aan het Engelse Hof. Dat Van Kinschot zich tot haar wendde, is niet heel vreemd. Waarschijnlijk bedoelt hij met 'mevrouwe Arlington' de echtgenote van de eerste graaf van Arlington, Henry Bennet.(8) Bennet was een van de favorieten van koning Karel II. In de tijd dat Bennet verantwoordelijk was voor de buitenlandse zaken en zo ook betrokken was bij de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, trouwde hij met een dame uit de Republiek, Elisabeth van Nassau-Beverweert (1633-1718), de dochter van Lodewijk van Nassau-Beverweert, die op zijn beurt een bastaardzoon van Maurits van Oranje was. Waarschijnlijk kon Van Kinschot met mevrouw Arlington, alias Elisabeth, Nederlands spreken, en was Elisabeth begaan met het behouden van goede betrekkingen tussen de Republiek en Engeland.(9)

Toch blijkt uit Van Kinschots brief dat hij Lady Arlington niet op haar woord geloofde. Hij schrijft De Witt dat mevrouw Arlingtons woorden 'een vrouwe discours' waren en daarom wilde hij ook met eigen ogen zien en eigen oren horen hoe er aan het Hof over de penning werd gedacht. Hij moest haar echter gelijk geven. De vrouwen hadden het ditmaal - en misschien wel vaker dan Van Kinschot kon geloven - bij het rechte eind.

 

Lidewij Nissen, 4 juli 2017

 

Noten