De lijdensweg van Pieter de Groot

Pieter de Groot (1615-1678) omgeving Adriaen Hanneman. Bron: Museum Rotterdam

Parijs blijkt een ongezonde omgeving voor ambassadeur Pieter de Groot. Gedurende de twee jaar dat hij er verblijft, kampt hij voortdurend met ernstige gezondheidsklachten die hem er meer dan eens van weerhouden zijn ambt uit te oefenen. Daarnaast ligt hij in de Republiek ook nog eens onder vuur vanwege zijn vermeende crypto-francofiele sympathieën. En dat in een tijd dat Frankrijk zich steeds vijandiger gedraagt ten opzichte van de Republiek. Boosaardige tongen noemen hem een 'oeuf pourri' [rot ei] en niet alleen vanwege zijn zwakke gestel.

In augustus 1670 wordt De Groot op verzoek van raadpensionaris Johan de Witt naar Frankrijk gestuurd om daar de in 1668 overleden Willem Boreel op te volgen als ambassadeur in het Frankrijk van Lodewijk XIV. De Groot, tweede zoon van Hugo de Groot, was net aangesteld als pensionaris van Rotterdam na drie jaar als ambassadeur in Zweden te hebben gediend. De Groot twijfelt in eerste instantie om zich in het wespennest van Versailles te wagen. De Franse diplomaat D'Estrades weet hem echter om te praten met de bewering dat als iemand nog iets kon bewerkstelligen aan het Franse hof, het De Groot was. Na zijn aankomst in Parijs meldt De Groot per brief aan De Witt dat hij na vertrek uit Rotterdam naar zijn nieuwe werkplek ziek was geworden.(1) Hij moest enkele dagen in Gent bijkomen, alvorens hij -nog steeds ziek- zijn reis kon hervatten. Helaas bleek zijn constitutie zo slecht dat hij vanaf Atrecht de tocht liggend op een matras moest vervolgen. Pas aan het eind van de maand komt hij in de Franse hoofdstad aan. De Groot schrijft nog hoopvol dat hij weer 'spoedigh op de been sal sijn'.(2)

'Hertelick gelach'

De Groot vertelt in een volgend schrijven aan de raadpensionaris, in september 1670, dat het met zijn gezondheid wel wat beter gaat, maar hij merkt dat zijn reputatie als 'vriendje van Frankrijk' hem vooruit is gesneld. Enigszins gepikeerd meldt hij aan De Witt dat er aan het hof van Versailles onder de aanwezige diplomaten wordt geroddeld dat hij lijdt aan een 'politique sieckte'.(3) Fingeert hij zijn ziekte om Frankrijk in de kaart te spelen? In de daarop volgende brieven blijkt het in Parijs voor de ambassadeur verder uit de hand te lopen. In oktober van datzelfde jaar verzucht De Groot aan De Witt: 'lck wenschte wel, dat diegene, dye men ter kennisse van mijn advijsen nyet wel en kan onthouden, echter die discretie hadden om die nae behoefte messageren; anders en sal ick die vrijhijt niet meer met gerustheyt durven gebruycken ende mogelick oock daertoe nyet meer capabel gemaeckt werden'. Ook had De Groot [...] de tijdinghe gekreghen van de grote expostulatie, die de heren van Amsterdam teghen mijne indispositie hadden gedaen, ende hoe hertelick daermede gelachen was'. Verbitterd eindigt de ambassadeur zijn brief met de sarcastische woorden 'Ick bidde UWelEd. evenwel die heren uut mijnen naem te bedancken, dat de publique demonstrantie van haeren haet aen een Hof, daer sij nyet al te seer bemind sijn, des te meerder genegentheyt voor my verweckt'.(4)

In januari 1671 hoort De Groot via een bevriend contact dat zijn brieven zelfs publiekelijk in de Raad van State zijn voorgelezen. Hij schrijft wanhopig een apologie naar Den Haag: 'lck bekenne gaerne, dat ick nyet wel en kan begrijpen, wat het is, dat men van my exigeert. lck ben hyer in een vremd land, daer my geene negotiatie en is aenbevolen ende dyenvolgende geene particuliere verantwoordinghe ofte advisen, die secretesse requireren, kan afgevordert werden. lck ben aen een Hoff, daer alles heel publiecq ofte seer secreet is'.(5) Het blijkt voor De Groot lastig om de juiste informatie te bemachtigen. Durfden informanten hem vanwege zijn reputatie niet in vertrouwen te nemen? Johan De Witt belooft in zijn antwoord voortaan extra waakzaam te zijn, opdat er geen kopieën van De Groot's brieven bij de gedeputeerden van de verschillende provincies rondslingeren.(6)

In januari en februari 1671 slaat voor Pieter de Groot het noodlot opnieuw toe: hij wordt weer ziek. Ditmaal is hij zelfs aan zijn kamer gekluisterd. Ondanks zijn slechte gezondheid weet De Groot toch wat informatie te vergaren voor de raadpensionaris. Er worden door Frankrijk 'zware desseynen tegen onzen Staat' gedaan. Ook al gelooft De Groot niet dat Frankrijk de Republiek zal binnenvallen, toch drukt hij De Witt op het hart rekening te houden met het ergste. Tussen mei en oktober 1671 rapporteert De Groot niet verder over eventuele vijandelijke bedoelingen van Frankrijk; hij verblijft in deze periode weer in de Republiek om zijn ontslag in te dienen. De Groot ziet geen heil meer in zijn missie in Frankrijk en verzoekt te worden teruggeroepen. Er is echter simpelweg niemand bereid De Groot te vervangen en hij keert dan ook onverrichter zake in oktober terug naar Frankrijk.

'Exces van smert'

Vreemd genoeg wordt hij direct na zijn terugkomst in de Franse hoofdstad weer getroffen door zware lichamelijke malaise. Begin oktober laat hij de rapportage aan De Witt zelfs over aan zijn secretaris Constantijn Christiaan Rumpf; de ambassadeur is te ziek om brieven op te stellen. Pas op 9 oktober volgt er weer een brief van De Groot zelf, waarin hij uitgebreid zijn ziekte uit de doeken doet: 'Ick ben immediatelyck geattacqueert geweest door sulcken pijnelijcken jicht, die sich successivelijck over alle de leden heeft verspreyt, dat ick daer door een exces van smert hebbe uytgestaen, het welck was evenwel soo verre gecomen dat alle mijne pijne cesseerde en ick dagelix mijne despeches buyten het bedde begonde te doen, als mij ontrent de drye weecken geleden soo grooten accablement van sieckte op het lijf is gevallen dat men niet sonder rede aen de behoudenis van het leven heeft getwijffelt,[...]'. (zie afbeelding onderaan)

Het geroddel en de aantijgingen houden ondertussen ook niet op. Het thuisfront beschuldigt hem ervan verraad te hebben gepleegd en zich te hebben laten omkopen door de Fransen. In december 1671 heeft De Groot er genoeg van. Hij fulmineert tegen De Witt: 'Ik kan UWelEd. in der waerheyt verclaeren dat ick van den tijd af dat ick hyer aengecomen ben, [...], noch moeyte noch costen hebben ontsien, om te penetreren al hetgeene tot kennisse van den Staet dienstich was', maar De Groot constateert dat 'veele van de heren sich meer aen haere particuliere directie als aen den dienst van 't publijck laten geleghen sijn, [...]'. De ambassadeur heeft er genoeg van: '[...] so en sal mij nijt nutter sijn als hoe eer liever ontslaghen te werden uut een amploy, dat mij, sowel aen mijn beurs als aen mijn gesontheyt schadelick is, [...]'. De Witt weet de situatie te sussen, maar De Groot blijft op ontslag aandringen, waaraan in 1672 eindelijk gevolg wordt gegeven. Op 23 maart 1672 neemt De Groot afscheid van Lodewijk XIV.

Na zijn terugkeer in de Republiek verloopt het helaas niet veel beter voor De Groot. Vrij snel na zijn terugkeer als pensionaris van Rotterdam vallen in 1672 de Fransen de Republiek binnen. De Groot mag nog namens de Staten-Generaal een laatste onderhandelingspoging doen met Lodewijk XIV. Deze mislukt jammerlijk. In de Republiek breken ondertussen op veel plaatsen relletjes uit. De opstandelingen eisen de benoeming van de prins van Oranje en bestraffing van degenen die verantwoordelijk zijn voor de oorlog en de staat van het leger. Op veel plaatsen worden regenten door het volk gedwongen ontslag te nemen. De volksopstand dwingt ook De Groot uit Rotterdam te vluchten om te voorkomen dat hij -net als de gebroeders De Witt in Den Haag- wordt gelynched. Hij wijkt uit naar Antwerpen. Pas in 1674 keert hij terug, maar het lot zit hem andermaal niet mee: hij raakt betrokken bij het hoogverraadproces van Abraham de Wicquefort. Deze diplomaat wordt beschuldigd van spionage voor de Fransen, Engelsen en Zweden. Aangezien De Groot veelvuldig met De Wicquefort had gecorrespondeerd, wordt ook De Groot in staat van beschuldiging gesteld. In 1675 wordt hij echter vrijgesproken. Uiteindelijk trekt hij zich gedesillusioneerd terug op zijn landgoed Boekenrode bij Haarlem, waar hij in juni 1678 overlijdt.

'Sorgh, wangunst en ondankbaarheyt' c

Pieter de Groot was naast diplomaat ook een verdienstelijk dichter. In de in 1722 postuum bundel Overgebleven Rymstukken is het volgende gedicht van hem opgenomen:

En seeker, als wy wel doortasten
Met wat voor onlust, arrebeyt,
Sorgh, wangunst en ondankbaarheyt
De overheden sich belasten,
Selfs als sy op haer lyfsgevaer
Hun ampten trouwlijck nemen waer,
Bevinden wy in ons gewissen
Dat yemand, die sijn schoone tijd
Besteed in sulcke kommernissen,
Veel eer beklaeght dient als benijd.
(7)



Milo van de Pol, 14 oktober 2017

Brief van De Groot aan Johan de Witt, 9 oktober 1671, GahetNa, Archief Johan de Witt, 3.01.17, inv. nr. 1866
--------------------------------

Noten

  • (1) Brief van Pieter de Groot, 4 september 1670 uit: R. Fruin, N. Japikse en G.W. Kernkamp, Brieven aan en Brieven van Johan de Witt, uitgegeven in de Werken van het Historisch Genootschap (1906-1919), deel 2, 481
  • (2) Idem, R, Fruin, Brieven, 482.
  • (3) Brief van Pieter de Groot, 19 september 1670, R. Fruin, Brieven, 482.
  • (4) Brief van De Groot, 31 oktober 1670, R. Fruin, Brieven, 486.
  • (5) Idem, 9 januari 1671, 532.
  • (6) Brief van Johan de Witt 15 januari 1671, R. Fruin, Brieven, deel 4, 151.
  • (7) Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 2 [geraadpleegd: 10-10-2017].