03/04/1629

03 - 04 - 1629

Presentielijst:

Gelderland:
Holland:
Zeeland:
Utrecht:
Friesland:
Overijssel:
Groningen:

Resoluties:

1 Gelezen is het concept van het plakkaat tegen het plunderen door soldaten.
De heren van Gelderland willen het concept nader bespreken, waarop de verdere afhandeling wordt uitgesteld.

2 Resident Aissma schrijft d.d. Hamburg 14 maart. HHM nemen geen besluit.

3 De gecommitteerde bewindhebbers van de WIC antwoorden in een memorie op de resolutie van HHM d.d. 31 maart, waarin de Compagnie gevraagd werd haar aanspraken op schrift te stellen volgens de bepalingen van het octrooi, de uitbreiding daarop en een aantal resoluties. De gecommitteerden delen mee dat zij de lijst met aanspraken zoals die de vergadering voorgelegd is, opgemaakt hebben met inspraak van alle Kamers. Aangezien er op dit moment geen gecommitteerden zijn van de WIC ter Kamer Zeeland en de WIC ter Kamer Stad en Lande , hebben zij er bezwaar tegen wijzigingen in die lijst aan te brengen of er verder over te onderhandelen. Zij moeten eerst instructies ontvangen van hun respectievelijke Kamers. Aangezien de Heren Negentien binnen drie weken in Amsterdam vergaderen, vragen de gecommitteerden de afhandeling van dit onderwerp uit te stellen tot na deze vergadering. Daar kunnen de verschillende leden hun mening over de vraag van HHM geven.
De gecommitteerde bewindhebbers krijgen uitstel tot na de vergadering van de Heren Negentien. De Compagnie moet na het inwinnen van de nodige informatie een aantal gevolmachtigden naar de vergadering van HHM sturen.
Verder beslissen HHM op de genoemde vergadering van de Heren Negentien te adviseren en te bewerkstelligen dat de WIC in plaats van dertig procent vijftig procent uit de veroverde buit laat uitdelen.

4 De koning van Bohemen bedankt d.d. Rhenen 19/29 maart voor het overzetten van het lijfpensioen van 4.000 gld. van zijn overleden zoon Frederick Hendrick, aangeduid koning in Bohemen, op zijn andere zoon Carl, paltsgraaf van de Rijn en hertog in Beieren.
HHM nemen geen besluit.

5 De koning van Denemarken schrijft d.d. Kopenhagen 17 jan. onder andere dat resident Schultete enige geheime punten namens hem aan HHM moet uiteenzetten. Hij vraagt de vergadering haar mening te geven en een gunstig besluit te nemen.
HHM committeren Bas en Vosbergen om met Schultetus te spreken over deze punten en daarover verslag uit te brengen.

6 De koning van Denemarken schrijft d.d. Kopenhagen 17 jan.
HHM nemen geen besluit.

7 De heer van Batenburch klaagt in een remonstrantie over de procedure die de Staten van Gelderland tegen hem zijn begonnen. Hij vraagt de vergadering haar gezag bij de Staten aan te wenden en wil dat HHM hem enige tijd in bescherming nemen totdat zij en de keurvorst van Keulen, die al in deze kwestie bemiddelt, volledig van de zaak op de hoogte zijn gebracht. De keurvorst moet overwegen wie het recht aan zijn kant heeft in deze en daaruit afleiden dat zijn tussenkomst niet wordt genegeerd.
De vergadering besluit dat de remonstrant zich tot de Staten van Gelderland, zijn wettelijke overheid, moet wenden om krachtens de eerdere resoluties van HHM over zijn zaak te laten oordelen.

8 HHM lezen het advies van de RvS d.d. 27 maart op de memorie van resident Schultetus d.d. 23 maart aangaande het verzochte verbod op uitvoer naar Jutland en de andere landen van de koning van Denemarken die door keizerlijke troepen bezet worden. Het advies luidt dat het genoemde verbod al te nadelige gevolgen zou hebben voor de handel en de nijverheid. Bovendien verkeert de Republiek niet in openlijke vijandschap met de keizer. Een verbod kan dus beschouwd worden als een maatregel die de neutraliteit schendt.
Een beslissing wordt uitgesteld.

9 HHM lezen het advies van de RvS d.d. 28 maart over het op 15 maart ingediende rekest van de kapiteins van de pioniers. Dezen hadden voorgesteld om vijftig of zestig pioniers in dienst te houden na het ontbinden van het leger om over betere mensen te beschikken.
Conform het advies besluit de vergadering alles bij het oude te laten om het land niet nodeloos te belasten.

10 Naar aanleiding van het verzoek van de edellieden van de artillerie om de betaling van de achterstallen van de jaren 1626, 1627 en 1628, vraagt de vergadering aan de RvS om de supplianten tevreden te stellen.

11 Kapitein Jan Jansz. van den Kerchoff en de weduwe van Claes Jorisz. Bontenburch vragen in een rekest de betaling van de proviand van enkele Engelse slaven die zij op bevel van admiraal Reael in Barbarije [Marokko] aan boord hebben genomen en van Salé en Anfa [Casablanca] naar Wight in Engeland gebracht hebben.
Een beslissing wordt uitgesteld.

12 Ambassadeur De Beaugij compareert en brengt de vergadering op de hoogte van de militaire successen van de koning van Frankrijk bij het doorbreken van de passen in Piemonte en het veroveren van de stad Susa.
Hij verzoekt de nodige maatregelen te treffen in de zaak van zijn kamerdienaar die hij heeft laten aanhouden en opsluiten in de Voorpoort, die in bruikleen gegeven was. Het Hof van Holland heeft hem echter buiten zijn medeweten vrijgelaten. De ambassadeur vraagt hem opnieuw aan te houden en op te pakken in Vianen, waar hij zich nu zou bevinden.
De vergadering bedankt de ambassadeur voor de informatie en besluit het nodige te doen om hem tevreden te stellen. Er wordt opnieuw aan de heer van Brederode geschreven om de kamerdienaar in Vianen gevangen te laten nemen en hem naar 's- Gravenhage te sturen.

13 De maarschalk van de koning van Zweden, Falckenberch, compareert en verzoekt HHM in een propositie hem een loopplaats aan te wijzen voor het aanwerven van drieduizend man in drie regimenten voor de koning. Hij belooft geen officieren en soldaten van HHM aan te nemen. 1
Afgedaan te 's-Gravenhage op 4 april.
De koning wijst HHM op het grote gevaar waarin de hele christenheid verkeert door de successen van de Katholieke Liga. Dit is zeer zorgwekkend, aangezien de Liga niet tevreden lijkt met de behaalde overwinningen en haar voordeel wil uitbuiten om de resterende vorsten en republieken te gronde te richten. Dit blijkt duidelijk uit talrijke voorbeelden, in het bijzonder uit de lopende voorbereidingen aan de Oostzee. De koning wordt in het bijzonder met deze gevaren geconfronteerd, nu de vijand zelfbewust te kennen geeft hem in zijn eigen huis, in Zweden en Pruisen, op te zullen zoeken. Om deze reden kan de koning niet nalaten zich tijdig van de nodige soldaten, schepen en munitie te voorzien. Aangezien hij dit niet zo snel in zijn eigen landen verkrijgen kan, moet hij naburige vorsten, republieken en goede vrienden aanspreken. Hij verzoekt HHM bijgevolg deze punten:
I De toestemming om aan de grenzen van de Republiek drieduizend infanteristen aan te nemen.
II De beschikking over een geschikte loopplaats waar deze soldaten bijeengebracht kunnen worden om in te schepen.
III De toestemming om vier of vijf oorlogschepen te kopen in de Republiek en voldoende zeelieden aan te nemen om deze soldaten over te brengen.
IV De toestemming om wapens, buskruit en lood te kopen en uit te voeren ten behoeve van deze soldaten.
De wervingsofficieren van de koning verbinden zich ertoe de lopende lichtingen van HHM niet te hinderen en niet te werven in de plaatsen die HHM voor zichzelf voorbehouden hebben. Zij zullen er alleen naar streven vijandelijke troepen tot overlopen te bewegen en de resterende aantallen in Duitsland te rekruteren. De maarschalk zal hierover graag meer vertellen. De plannen van de koning komen niet alleen hemzelf ten goede, maar zijn ook tot voordeel van de plannen van HHM en Z.Exc.
President Rantwijck wordt verzocht met Z.Exc. over deze propositie te spreken, diens mening te vragen en er verslag van te doen.

1 Geïnsereerd in S.G. 3188.