27/04/1629

 
English | Nederlands

27 - 04 - 1629

Presentielijst:

Gelderland:
Holland:
Zeeland:
Utrecht:
Friesland:
Overijssel:
Groningen:

Resoluties:

1 HHM lezen de artikelbrief en de instructie voor de oorlog ter zee, en de particuliere instructie voor de kapiteins en de schrijvers.
De vergadering keurt deze documenten goed en draagt iedereen op wie ze betrekking hebben op, zich ernaar te gedragen.

2 HHM geven Catharine van Gent en Machtelt van Gent op hun verzoek toestemming om met hun familie van Utrecht naar Doel [Beveren] te verhuizen en daar dezelfde vrijheid van neutraliteit te genieten als de andere dorpsbewoners.

3 Ontvangen is een brief van commandant Hoemaecker d.d. fort Liefkenshoek 24 april. HHM nemen geen besluit.

4 De vergadering stelt de bespreking uit van het mondelinge en schriftelijke vertoog van de heer van Heemstede dat hij namens Joachimi, ambassadeur in Engeland, en hemzelf heeft voorgelegd en dat zich nu bij de griffier bevindt. Het vertoog heeft betrekking op de brand, de aanspraken van Cecil en een redelijke vergoeding voor hun kosten en schade.

5 Vosbergen brengt verslag uit van het gesprek dat hij met Z.Exc. krachtens de resolutie d.d. 21 april gehad heeft over de missive van de magistraat en regeerders van Genève waarin het overlijden van de prinses van Portugal gemeld werd. In haar testament drukte zij de wil uit eervol begraven te worden en stelde zij haar dochters onder de bescherming van het stadsbestuur tot zij onder de hoede van HHM zijn.
De vergadering besluit de magistraat en regeerders te antwoorden dat HHM met droefheid het overlijden van de prinses vernomen hebben. Wat de begrafenis betreft zullen zij de reeds gegeven instructies van Z.Exc. volgen. Tevens bedankt de vergadering hen voor de zorg die zij gedragen hebben voor de jonge prinsessen1 verzoekt hun deze zorg te blijven dragen totdat zij in de Republiek aangekomen zijn.
Verder besluiten HHM de prinsessen te condoleren en hen te vermanen binnen de gereformeerde kerk te blijven, waarin hun moeder hen heeft opgevoed, en zich niet te laten verleiden door enige raadgevingen. Zodra zij in de Republiek aangekomen zijn, zullen HHM hun alle nodige steun verlenen die zij menen verschuldigd te zijn aan het huis van wijlen prins Willem.

6 HHM nemen Jacob Goidtskerck op eigen verzoek aan als extraordinaris bode naar Engeland en andere landen waarheen zij hem zullen sturen. Hij legt de gepaste eed af in handen van de RvS.

7 HHM lezen het rekest van Barbara Jansdr., weduwe van Aernout van Alten, die tijdens zijn leven bode van de Generaliteit was.
Omwille van de argumenten in het rekest en andere overwegingen, stelt de vergadering de tweede zoon van de suppliante (de oudste is overleden na de dood van zijn vader) aan als ordinaris bode van de Generaliteit ter vervanging van zijn vader. Hij legt de eed af in handen van de RvS.

8 Coenraedt te Heeskens c.s., uit het Land van Gulik, vragen een paspoort om vanuit het Land van Gulik [Jülich] naar de Republiek te kunnen reizen en, voor enkelen van hen, daar ook te verblijven.
De vergadering vraagt advies aan de RvS en vraagt rekening te houden met de Gulikse contributies.

9 Krachtens de resolutie d.d. 21 april hebben HHM de opdracht nagekeken die ze aan agent Brederode gegeven hebben om de doop van de zoon van paltsgraaf Friedrich Kasimir en zijn echtgenote vrouwe Emilia van Nassau bij te wonen. De vergadering stelt vast dat de resolutie d.d. 19 nov. 1619 Brederode committeerde, met een machtiging d.d. 20 nov. 1619 een verguld kunstwerk ter waarde van 1.800 gld. als geschenk te geven en naar oud gebruik tevens 300 gld. te verdelen onder de aanwezigen en elders.
De vergadering buigt zich verder over de missive van de genoemde prinses d.d. 5 feb., ontvangen op 21 april, en leest daarin dat ze van mening is dat haar zoon een jaarlijks pensioen moet ontvangen van HHM. De prinses beweert dat agent Brederode dat indertijd beloofd heeft bij de doop, in overeenstemming met de soortgelijke beloftes van HHM aan andere prinsessen en vorstinnen.
De verdere bespreking wordt uitgesteld.

10 HHM lezen het advies van de RvS d.d. 21 april over de op 20 april bij HHM ingediende remonstrantie van de keurvorst van Keulen tegen overste Gent. HHM hebben de overste nog op 6 april schriftelijk vermaand dat hij in de kwestie van de gietijzeren kanonnen, waarvan in de remonstrantie sprake is, zich te onthouden heeft van alle dwangexecuties en dreigementen tegen de verkoop van het geschut. Hij moet, volgens het schrijven van HHM, zijn gelijk langs gerechtelijke weg zien te halen. Om deze reden moeten agent Van der Veken en secretaris Van Alten tot in de details op de hoogte gebracht worden van hetgeen in deze zaak al gebeurd is en moet men afwachten wat de overste doet of antwoordt naar aanleiding van het schrijven van HHM.
De vergadering besluit toch nogmaals aan de overste te schrijven alle feitelijke procedures stop te zetten.

11 De vergadering beraadslaagt opnieuw over het verzoek van kolonel Famars om een verhoging van zijn traktement van 300 naar 400 gld. per maand om zo dezelfde soldij te ontvangen als zijn broer kreeg krachtens de resolutie d.d. 11 juli 1621, genomen op advies van de RvS. De suppliant is zijn broer opgevolgd. HHM stellen dat zij aangaande een wijziging van het traktement van de suppliant niet kunnen afwijken van de voet die op advies van de RvS is vastgelegd in voorgaande en herhaaldelijk genomen resoluties. Hierin werd besloten de traktementen van de nieuwe kolonels en hun onderofficieren op de laagste voet te brengen. Omdat de compagnieën van het regiment van Famars vaker worden ingezet dan vroeger en ook om andere redenen, kan de kolonel een extraordinaris subsidie van 100 gld. per maand worden toegewezen. Deze subsidie wordt betaald uit het geld bestemd voor de legerlasten en geldt alleen voor de periode waarin de suppliant te velde wordt ingezet. HHM verklaren verder dat deze resolutie niet als een precedent beschouwd mag worden. De heren van Zeeland geven te kennen morgen hun advies op deze resolutie uit te brengen.

12 De gecommitteerden van de Heren Zeventien van de VOC , Brouwer en Welhouck, compareren en herhalen het op 30 maart gedane verzoek van de Compagnie aangaande de voorgestelde uitrusting van de oorlogsschepen ter bescherming van de schepen die deze zomer uit Oost-Indië verwacht worden. Het geld om dit te betalen zal afgetrokken worden van de rechten van de Generaliteit in de opbrengsten van de Compagnie.
De gecommitteerden voegen eraan toe dat zij zich tot de Staten van Holland en West-Friesland gewend hebben en dat zij het volgende afgesproken hebben. De VOC rust drie grote schepen van tweehonderd last en twee kleine van tachtig last uit, waarbij de grote achtentwintig kanonnen en honderdvijftig man aan boord hebben en de kleine achttien kanonnen en vijfenzeventig man. Deze vijf schepen worden ingezet om op commissie van Z.Exc. voor de commandeurs en de kapiteins en op instructie van de VOC te kruisen tussen Engeland en de Hoofden [Nauw van Calais] tot half juli. Daarna worden ze tot november ter beschikking gesteld van de Generaliteit. De totale kostprijs van deze operatie, begroot op 150.000 gld., denkt de Compagnie voor twee derde te betalen uit de konvooien en voor een derde uit de rechten van het land in de buit van de VOC die na vandaag gemaakt wordt. De gecommitteerden vragen de vergadering snel een besluit te nemen aangezien de tijd verstrijkt.
Alvorens te beslissen, besluit de vergadering het journaal van 't Lam, dat hij verleden jaar tijdens zijn reis bijgehouden heeft, te onderzoeken.

13 Op het voorstel van de administrator van Maagdenburg besluit de vergadering hem een adres aan de koning van Zweden te geven. Tevens wordt hem een oorlogsschip ter beschikking gesteld om hem daarheen te brengen.

14 HHM geven oud-postmeester Aert Hendericxsz. van Schorrenberch toestemming om een voorschot van 400 gld. te ontvangen van ontvanger-generaal Doublet. Dit bedrag zal in delen afgehouden worden van zijn traktement, te weten telkens een derde op 10 aug., op 10 nov. en op 10 feb. 1630. Indien de suppliant ondertussen komt te overlijden, dan is diens zoon, Jacob van Schorrenberch, gehouden het resterende bedrag terug te betalen, zoals vastgesteld in de akte.

15 De gedeputeerden van de Colleges ter Admiraliteit worden in de vergadering ontboden. HHM leggen hun de onderstaande eed2 voor en vragen hun deze gezamenlijk te willen afleggen. De gedeputeerden overleggen met elkaar en antwoorden dat zij merken dat de eed uit drie delen bestaat en dat ze bezwaar maken deze af te leggen.
Op het eerste punt, aangaande de resoluties over de bescherming van de zeevaart, maken ze geen bezwaar indien de door HHM beloofde subsidies regelmatig door de provincies opgebracht worden. Het komt echter dikwijls voor dat dat niet gebeurt. Bij die gelegenheden hebben ze de genoemde resoluties moeten overtreden en schepen die bestemd waren om de kust te bewaken of op de Noordzee te kruisen, moeten gebruiken als konvooischepen om aan de klachten van de kooplui tegemoet te komen.
Het tweede punt, aangaande de naleving van het plakkaat op de uitrusting van de schepen, zo verklaren de gedeputeerden, is niet in alle delen van het land in praktijk te brengen. Aan de ene kant wordt de uitvoering van het plakkaat belet door de onstuimigheid en het kwalijk gedrag van de schippers en de zeelui. Aan de andere kant hebben velen naar eer en geweten bezwaren tegen het naleven van de bepalingen van het plakkaat.
Op het derde punt, aangaande het vonnissen volgens de plakkaten, antwoorden de gedeputeerden dat er in de praktijk veel gevallen zijn waarin de plakkaten op de konvooien niet naar de letter opgevolgd kunnen worden zonder de inwoners van de Republiek ernstig nadeel toe te brengen. Ze verzoeken HHM te vertrouwen op het geweten en de discretie van de gedeputeerden in dergelijke zaken. Van hun kant verzekeren ze dat zij voorzichtig en met oog voor de rechten van het land te werk zullen gaan.
Om deze redenen verzoeken de gedeputeerden geëxcuseerd te mogen blijven van het afleggen van de voorliggende eed. Indien HHM blijven staan op het afleggen ervan, dan moeten ze hierover eerst met hun respectievelijke Colleges spreken.
HHM besluiten de eed zo snel mogelijk aan de Colleges ter Admiraliteit te sturen, met het verzoek binnen drie weken na ontvangst daarover een verklaring te doen.
De raden van de respectievelijke Colleges ter Admiraliteit beloven en zweren ten overstaan van de Staten-Generaal of van degenen die door hen daartoe gemachtigd zijn, dat zij de resoluties van HHM, met kennis van zaken en in overleg met Z.Exc. genomen en nog te nemen, aangaande de bescherming van de zeevaart en wat daarmee te maken heeft, evenals het plakkaat en de ordonnantie op de bewapening en bemanning van de koopvaardijschepen en vissersboten stipt zullen opvolgen. Tevens ondertekenen zij deze. Zij zullen op aandringen van niemand daartegen handelen of iemand laten handelen, noch direct of indirect onder enig voorwendsel zich daarvan ontslaan. Zij zullen zich bij het rechtspreken in zaken aangaande de konvooien en licenten houden aan de plakkaten en de uitbreidingen daarop.

16 De gedeputeerden van de Colleges ter Admiraliteit vragen verlof om te vertrekken.
De vergadering stelt dit uit totdat de remonstrantie van de commiezen-generaal van de konvooien, die HHM morgen denken te bespreken, onderzocht zal zijn.

2 Geïnsereerd in S.G. 3188. Deze eed is gedrukt: Aitzema, S. & O. kwarto II, 729-730/folio I, 820-821.