04/01/1630

04 - 01 - 1630

Presentielijst:

Resoluties:

1 Culemborg en andere gedeputeerden van HHM rapporteren conform de resolutie van HHM op 3 jan. overleg te hebben gehad met ambassadeur De Beaugy. Zij hebben hem de intentie van HHM overgebracht met de koning van Frankrijk in alliantie te treden, vóór het breken van de Franse koning met de koning van Spanje. Zij waren gelast daarover verder te spreken zodra hun medegedeputeerden weer beschikbaar zouden zijn en de ambassadeur daartoe de gelegenheid had. De ambassadeur heeft daarop laten weten dat hij slechts mag onderhandelen over de vier punten die hij namens de Franse koning op 29 dec. 1629 aan HHM heeft uiteengezet. De feitelijke onderhandelingen en de ondertekening van de alliantie zouden door ambassadeurs van de Republiek - naar Frankrijk gezonden vanwege de eer en de reputatie van de Franse koning - met de koning in Frankrijk moeten plaatsvinden. De Beaugy voorziet met betrekking tot de andere punten van de alliantie overigens geen problemen. Hij verwacht geen nadere last te zullen krijgen en hij wil vermijden daarover terechtgewezen te worden, zoals eerder Langerack is overkomen. Zes weken na het sluiten van de alliantie zal de Franse koning een verklaring afgeven over het al of niet breken met Spanje. De ambassadeur verwacht dat deze alliantie binnen de komende drie maanden gesloten kan worden.
HHM verzoeken de gedeputeerden nogmaals naar de ambassadeur te gaan, om die beleefd bekend te maken dat HHM er altijd eer in stellen een alliantie met de Franse koning te hebben en ook dat hun ordinaris en extraordinaris ambassadeurs zich na afloop van het traktaat van Compiègne hebben ingespannen om de alliantie met de Franse koning te continueren. Dat is tot hun leedwezen nog niet gelukt. Vanwege de bijzondere band met de Franse koning zijn HHM bereid om met de ambassadeur in het geheim te onderhandelen, zowel over de alliantie als over het breken met Spanje, maar niet als afzonderlijke punten. HHM verzoeken om die reden dat De Beaugy in verschillende zaken last wordt verleend en dat wat de sluiting van de alliantie betreft, een oplossing gevonden zal worden.

2 Bas wordt belast met het onderzoek van het journaal van Hillebrant Quast, die als vice-admiraal het commando voerde over een eskader en die het commando had op de kust na de dood van luitenant-admiraal Pieter Heyn. Het journaal beslaat de periode 11 jan. tot 30 dec. 1629.
Bas zal over zijn bevindingen rapporteren.

3 Anna Vijgh, weduwe van Francois Henderson, kolonel van een Schots regiment, vraagt om een jaarlijks traktement vanwege haar mans verdienste voor het land.
HHM vragen de RvS om advies.

4 De hertog van Bouillon verzoekt om als eerste benoemd te worden in het gouvernement van 's- Hertogenbosch.
Dit wordt in beraad gehouden.

5 Na kennis te hebben genomen van de propositie van Van de Veecke, op 2 jan. mondeling toegelicht en daarna schriftelijk ingediend, wordt besloten deze voor nader onderzoek en advies aan de RvS ter hand te stellen.

6 Georgius Clarkius is voor het opdragen van een boekje 25 gld. toegekend.
Er zal ordonnantie worden gedepêcheerd.

7 De weduwe van Mathys Treurniet verzoekt conform de ordonnantie om betaling voor het werk aan de vestingen.
De gedeputeerden van de provincies die nog niet hebben geconsenteerd in de 500.000 pond in plaats van legerlasten over het jaar 1628, zullen eraan worden herinnerd bij de Staten te bevorderen het consent te dragen en hun aandeel in de bovengenoemde som te voldoen.

8 HHM lezen het relaas van kapitein Brederode over het stranden van het schip Frederick Hendrick voor Scheveningen.
De kapitein wordt opgedragen dit door de hoofdofficieren van het schip te laten ondertekenen, om het daarna opnieuw aan HHM te overhandigen.

9 Op een brief met berichten van commissaris Jan Wendels d.d. Hellevoetsluis 2 jan., is geen besluit genomen.

10 In een brief, geschreven door de Admiraliteit te Amsterdam op 3 jan., wordt meegedeeld dat de voormalige consul in Tunis, Lambert Verhaer, in Keulen is gearriveerd. De Admiraliteit geeft HHM in overweging commissaris Jan Wendels, die op het punt staat af te reizen naar Tunis en Algiers, op te houden totdat Verhaer in de Republiek is gearriveerd, zodat hij kennis kan nemen van Jan Wendels' opdracht en instructie.
HHM besluiten dat Jan Wendels in afwachting van een gunstige wind in het Goereese Gat moet blijven liggen.

11 Symon van der Meyde, generaalmeester van de Munt, dient zijn declaratie over de periode 16 sept. 1628 tot 31 dec. 1629 in.
De declaratie gaat voor onderzoek naar thesaurier-generaal Van Goch. Die moet erop letten dat conform de resolutie van 16 sept. 1628 Van der Meyde slechts die posten declareert, waarvan hij schriftelijk kan bewijzen dat hij in opdracht van HHM handelde.

12 Gelezen worden een uiteenzetting van de Generaals van de Munt , alsmede een plakkaatontwerp om de kruisdaalder en verschillende dukaten tot incourante munten te verklaren.
De provincies Holland, Zeeland en Groningen vragen en krijgen een kopie.

13 Leendert Pieters Ruckeveen, woonachtig te Segwaert, een van de crediteurs van de administrator van Maagdenburg, verzoekt om betaling.
Dit verzoek wordt voorgelegd aan de gedeputeerden van de provincies die het minst hebben meebetaald aan de subsidies voor Denemarken, om het verschil met de meest betalende gelijk te trekken.

14 Arnhem en andere gedeputeerden wordt verzocht nogmaals de moeite te nemen het verhaal te horen van de Engelsman Thomas Proctor, die heeft aangeboden om hier te lande door wind aangedreven watermolens te maken. Deze kunnen tegen geringe kosten in korte tijd grote meren of stilstaande, besloten wateren leegmalen en land ontwateren.
Na het aanhoren van het verhaal wordt over het octrooi besloten.

15 Abraham Wouters van Loevestein beklaagt zich erover dat de RvS hem in plaats van 2, 1 gld. hebben gegeven voor het opsluiten en vrijlaten van remonstrantse predikanten op Loevestein.
Wouters zal zich echter met het bedrag tevreden moeten stellen.

16 Rantwyck rapporteert dat ambassadeur Vane door twee personen uit zijn gevolg het op 2 januari overhandigde antwoord op zijn propositie heeft laten teruggeven.
Rantwyck zal de moeite nemen om het antwoord onder couvert aan de ambassadeur retour te zenden.

17 De gedeputeerden van Holland hebben HHM doen weten dat de schout van Roosendaal in 's- Gravenhage wacht op een antwoord op de brieven die Merquette op 29 dec. 1629 uit Brussel aan Gerrardt van Berckel heeft geschreven. Deze zijn HHM gisteren onder de aandacht gebracht.
De griffier van HHM zal de schout aanzeggen de heer van Merquette te rapporteren dat Berckel op gepaste wijze kennis heeft gegeven van zijn brief. De kwestie waarover hij schrijft zal in beraad worden gehouden om daarover de eerstvolgende gelegenheid te besluiten.

18 Baron van Dona, ter vergadering verschenen, zal in ambassade naar de keurvorst van Keulen gaan. Hij belooft zich te houden aan het reglement voor ambassades dat door HHM is gemaakt.
Culemborg zal met Z.Exc. alsmede met agent Van der Veecke spreken om, waar dat nodig zal zijn, een paspoort voor Dona te verkrijgen. Ondertussen zal een instructie worden gemaakt op basis waarvan de ambassade zal plaatsvinden.

19 Ontvangen is het antwoord d.d. 31 dec. 1629 van de Generaliteitsrekenkamer op het verweerschrift van fiscaal mr. Gerridt Storm op 23 dec. 1629. Dit College heeft bij het opnemen van de rekening van ontvanger Houffyser goed acht genomen op de specificaties van honorering en reiskosten. De 26 st. daags voor eten en drinken in de declaraties van de raden van de Admiraliteit te Amsterdam zijn geschrapt op grond van de resolutie van 19 april 1624. Hierin wordt uitdrukkelijk vermeld dat raden op hun reizen boven hun kosten aan wagen- en scheepsvrachten, 4 gld. daags alsmede 1 gld. voor de bode zullen ontvangen waaruit zij de verblijfskosten moeten voldoen. Het schrappen van de post van 26 st. is dus wel degelijk terecht en conform het reglement van HHM.
HHM zullen de fiscaal overeenkomstig het bericht van de Generaliteitsrekenkamer antwoorden.

20 Naar oude gewoonte zal men een nieuwjaarsgift uitkeren. Doublet krijgt opdracht dit te regelen. Van het bedrag wordt ordonnantie gedepêcheerd.

21 HHM hebben het rapport van de aanwezige heren die verleden zomer namens hen en de RvS in het leger gecommitteerd waren, gehoord. Op advies van de RvS is naar aanleiding van een memorie betreffende de stad en de Meierij van 's-Hertogenbosch besloten op de hiernavolgende punten.1 De gecommitteerden die naar 's- Hertogenbosch gaan, worden gemachtigd deze resolutie in werking te stellen, uitgezonderd de punten die in overweging worden gehouden of waarvan HHM de uitvoering aan zichzelf voorbehouden.
I Het middel van het kleinzegel is bij de verpachting van de generale middelen nog niet vergeven, omdat het niet slechts in één Brabantse stad ingevoerd kan worden. Bovendien zou het aan het begin van het jaar moeten ingaan. Men zou nu kunnen overwegen om het behalve in 's-Hertogenbosch, ook elders in Brabant in te voeren. Omdat daarvan in de Meierij geen sprake kan zijn voordat de beambten zich gehoorzaam hebben verklaard aan HHM, zou de invoering van het kleinzegel het eerste jaar nader overwogen moeten worden.
HHM bevestigen dit.
II De impost op hoornbeesten en bezaaide landen is ook niet verpacht, omdat in de vrijdom van de stad geen bezaaide landen en weinig hoornbeesten waren. Ook is de verwoesting in dit gebied zo groot, dat de boeren in het eerste jaar van deze impost vrijgesteld zouden moeten blijven.
HHM gaan hiermee akkoord.
III Het tiende artikel over het wollen laken is exclusief het Bossche laken. De lakenkopers voeren aan dat al het laken dat in de Meierij is gemaakt ook onbelast dient te blijven, net zoals het laken dat in Holland wordt gemaakt, in de provincie Holland onbelast is. Er wordt voorgesteld het laken uit de verpachting te laten, maar wel aan te tekenen, om daarover later een besluit te nemen.
HHM besluiten dat het laken in de Meierij gemaakt en in de stad gebracht, daar - voorlopig voor een jaar - vrij van impost zal zijn.
IV Voor wat betreft het tweede lid van de regering van de stad zullen Grinsveen en Pieter van Gestel, rentmeester van het clarissenklooster, geloofsgenoten naast zich aangesteld krijgen. De gedeputeerden die naar 's-Hertogenbosch gaan wordt last gegeven erop toe te zien dat er zoveel geloofsgenoten worden aangesteld, dat de papen in de minderheid komen. Pieter van Gestel, die tweemaal geweigerd heeft de eed af te leggen, zou uit zijn rentmeestersambt gezet dienen te worden.
HHM machtigen de gedeputeerden die de besprekingen zullen voeren met de gecommitteerden van de aartshertogin over de Meierij, goed te informeren naar de personen waarmee het tweede lid van de regering van 's-Hertogenbosch uitgebreid zou worden. Zij dienen Pieter van Gestel uit zijn rentmeestersambt te ontslaan, indien hij andermaal de eed niet wil afleggen.
V De ambten die de magistraat ter beschikking staan waarin nog geen betrouwbare personen zijn aangesteld, moeten daar alsnog van worden voorzien. Huismeesters van het gasthuis, het weeshuis en andere instellingen dienen gereformeerd te zijn, opdat hun ondergeschikten en de meisjes meegenomen zullen worden naar de kerk en allen die van deze instellingen afhankelijk zijn, zich zullen bekeren tot de religie. De begijnen in het gasthuis zullen van hun taken ontheven worden.
De gedeputeerden van HHM zullen in overleg met de magistraat een regeling maken op dit punt, ten dienste van de stad en van de verbreiding van de religie. In ieder geval willen zij een gereformeerde schoolmeester in het weeshuis benoemd zien.
VI Enkele oude poortwachters en bewakers van de schotbalken en hekken zijn in dienst gehouden, enkele anderen zijn nieuw aangesteld. Er dient door de gecommitteerden bij de vervanging op te worden toegezien dat Cornelis Daniels uit Dordrecht zal worden aangesteld, die in de galerij voor 's-Hertogenbosch zijn linkerhand verloren heeft.
HHM houden dit punt in beraad tot de terugkomst van hun gedeputeerden, om na kennis te hebben genomen van hun rapport betreffende het afzetten van oude poortwachters, hierover te beslissen.
VII De ingenieur van de koning van Spanje is als rentmeester van de stad aangesteld, al moet hij - bekend met de diepten en ondiepten van de grachten en de plaatsen waar de stad schade kan worden toegebracht - als verdacht worden beschouwd.
HHM oordelen dat de ingenieur een eed van trouw zal moeten afleggen. Indien hij weigert zal hij binnen zes weken moeten vertrekken.
VIII Tot voordeel van de stad zouden de huishuren eindigend met Sint Jan [24 juni], verzet moeten worden naar mei, overeenkomstig de termijn van de huishuren in Holland.
HHM besluiten op het achtste en negende punt dat overlegd zal moeten worden met de magistraat. Bij instemming zal dit moeten worden uitgevoerd.
IX Ook zou bekend moeten worden gemaakt dat om de stad te bevolken, de handwerks- en ambachtslieden die zich nieuw in de stad vestigen, hun beroep daar vrij mogen uitoefenen voor tenminste drie jaren, met opschorting van de bestaande gildenbrieven.
X Met betrekking tot de domeinen wordt door de aangestelde tollenaar en tolschrijver een pachtsom van 1700 gld. voorgesteld of de opbrengst van de pacht. Hoewel anderen meer bieden, mogen de genoemde personen - omdat zij zijn aangesteld als ambtenaren - het nog een jaar voor de aangegeven som doen, waarna men de tol publiek zal verpachten.
HHM besluiten conform de tekst.
XI Over de geestelijken die nog niet uit de stad vertrokken zijn, moet een besluit worden genomen.
XII Zij zullen gevangengenomen worden, na nog eens gewaarschuwd te zijn om binnen vier of vijf dagen te vertrekken.
XIII Zij die vertrekken maar daags erop of na enige tijd weer terugkeren, snoevend aan het verdrag te hebben voldaan met het afleggen van hun kleding, moeten ook gevangen worden genomen, na nog eens aangeraden te zijn om onmiddellijk te vertrekken.
HHM besluiten op het elfde, twaalfde en dertiende punt dat, aangezien het veertien of vijftien kanunniken door de gedeputeerden te velde toegestaan is in de stad te blijven tot nader order, hun de toegang tot de stad wordt vergund, mits zij de eed van trouw afleggen en zij zich onopvallend gedragen, als goede ingezetenen, conform de uitgevaardigde plakkaten in dit land betreffende het vieren van de mis en het in stand houden van het pauselijke bijgeloof en alle zaken die daarmee samenhangen.
XIV Aangezien geestelijken die op het platteland zijn gaan wonen dagelijks naar de stad komen en zo macht uitoefenen over het volk en het bijgelovig houdt, zal hun dit komen en gaan verboden moeten worden (zoals dat in vijandelijke steden onze eigen predikanten verboden is), ook al wonen zij in schatplichtig gebied.
HHM besluiten dat geestelijken die in de stad komen, begeleid zullen worden door één of twee musketiers, net als in andere plaatsen.
XV Aangezien de voormalige bisschop van 's-Hertogenbosch nog gezag over de geestelijkheid uitoefent, zal hem schriftelijk gelast moeten worden zich daarvan te onthouden, op straffe van ongeldigheid van het verdrag.
HHM besluiten dat de voormalige bisschop van 's-Hertogenbosch door de RvS aangeschreven zal worden zijn gezag over de geestelijkheid niet langer aan te wenden, op straffe van het bovenvermelde.
XVI De pastoors op het platteland en de geestelijken in de kloosters die tegen het verbod in de mis opdragen en godsdienstoefeningen houden in de kerken, zullen gemaand worden dit na te laten. Als ze daar geen gehoor aan geven, zullen ze in hechtenis worden genomen.
HHM stellen het besluit over de uitvoering van het zestiende en zeventiende punt uit tot na de besprekingen.
XVII Indien de vijand naar aanleiding daarvan enkele predikanten gevangen wil nemen, zal men als tegenmaatregel hetzelfde doen in het kwartier van Antwerpen.
XVIII In het vierde artikel van het verdrag is aan HHM het besluit gelaten om de nonnen en de begijnen in de kloosters te laten blijven, dan wel ze anders te huisvesten. In aanmerking genomen dat met de verovering van steden ieder van hen in vrijheid wordt gesteld en de religiedwang in de kloosters is weggenomen, dat juist in die kloosters met de verbreiding van het pauselijke bijgeloof wordt voortgegaan, nonnen er hun geloften afleggen en er minder hoop is op bekering tot de religie dan wanneer zij in particuliere woningen zouden zijn gehuisvest, zou moeten worden besloten tot het openen van de kloosters en eenieder te laten gaan of blijven naar believen met levensonderhoud of huishuur. Wel zou het in de kloosters verboden moeten worden nog langer missen op te dragen of andere godsdienstoefeningen te houden voor degenen die er blijven wonen.
HHM besluiten dat de kloosters geopend, de kerken gesloten en missen verboden worden, terwijl aan eenieder de keuze wordt gelaten in de cellen te blijven wonen of te vertrekken naar elders.
XIX In het derde artikel is over de geestelijke goederen overeengekomen, dat de geestelijken levenslang de inkomsten en opbrengsten zullen ontvangen van hun goederen, gelegen op plaatsen onder contributie en waarvan zij aanvoeren dat het beheer hun toekomt. Besloten dient te worden of zij het beheer zullen houden. In het geval daartoe besloten wordt, zou het van dienst kunnen zijn hun geen verpachting, getimmerten en dergelijke toe te staan buiten de rentmeester van de geestelijke goederen om, ter voorkoming van het overgaan in andere handen of verduistering.
HHM zullen pas over het negentiende artikel besluiten wanneer de gedeputeerden van hun aanstaande reis naar 's-Hertogenbosch zullen zijn teruggekeerd. Die worden bij deze gelast zich zo duidelijk mogelijk te laten informeren over de geestelijke goederen en het inkomen daaruit, met alle bewijsstukken van dien. Er zullen perfecte inventarissen van ieder afzonderlijk corpus opgesteld moeten worden, die zij voor onderzoek en advies zullen meenemen om HHM daarover te laten beslissen.
XX Aangezien in het vierde artikel verordend is dat vrouwen levenslang in hun onderhoud zullen worden voorzien, dient uit de aan de rentmeester overhandigde staten van het inkomen van ieder klooster een raming te worden gemaakt. De lasten aan getimmerten en dergelijke dienen daarvan te worden afgetrokken. Uit het overschot kan het levensonderhoud worden betaald.
HHM zullen op dit punt pas na de ontvangst van de staten en inventarissen vaststellen welke orders in welke kloosters genomen dienen te worden, volgens een door de gedeputeerden te ontwerpen reglement.
XXI Zij die geen geloften hebben afgelegd, is men geen levensonderhoud verschuldigd. Wel mogen zij de goederen meenemen, die zij bezaten toen zij het klooster ingingen.
HHM menen dat het onderscheid tussen het al of niet hebben afgelegd van geloften, niet zo scherp kan worden aangebracht.
XXII Op het punt van de reparatie van geruïneerde huizen, zowel in de stad als op het platteland, zal ook dienen te worden besloten en wel met name of er niet enkele kloosters in de stad verkocht of in erfpacht gegeven zouden dienen te worden, zoals de magistraat van Aken [Aachen] en die van andere plaatsen verzoekt.
HHM keuren de verkoop van enkele kloosters goed, op voorwaarde dat daaraan voorafgaand en in overleg met de magistraat een plan en een ontwerp gemaakt zullen worden en de verkoop ervan publiekelijk, na aankondiging door middel van aanplakbiljetten, zal worden gedaan. Er mogen echter geen plaatsen worden verkocht die bestemd zijn ter verbreding van de haven of tot het maken van fortificatiewerken.
XXIII De kloosters ontvangen hun tegoeden zonder de verschillende persoonlijke schulden te betalen. Het zou daarom nuttig zijn als de rentmeester het tegoed ontving waaruit hij de schulden kan voldoen, voorzover het tegoed daartoe strekt.
HHM besluiten zich met de schulden en schuldvorderingen niet te bemoeien.
XXIV De door jezuïeten en anderen voltrokken verkopen ten tijde van de belegering dienen ongeldig te worden verklaard. Bij plakkaat worden alle verkopen en overdrachten in de stad in de Meierij op boete van nietigverklaring en een arbitrale straf opnieuw verboden.
HHM besluiten dat aan het eigendom van het jezuïetenklooster niets verandert. De gedeputeerden zullen de weg van eendracht betrachten tegenover allen die dit geheel of gedeeltelijk zouden betwisten. Ingeval de aanspraken op het voornoemde klooster niet in der minne kunnen worden geschikt, staat de justitiële weg nog open.
XXV De huurovereenkomsten aangegaan door geestelijken of door de voormalige rentmeester van de domeinen zullen mogen blijven bestaan of vernieuwd worden, dit al naar gelang de situatie en omstandigheden en afhankelijk van het feit of de huurders hun huur opzeggen.
XXVI Aangezien verschillende personen beweren ook uit de kloostergoederen onderhouden te worden, zou men onder voorbehoud deze grondslag kunnen aanhouden, dat degenen die het klooster goederen hebben aangebracht, maar die ofwel zelf het klooster hebben verlaten of er vanwege de religie uit zijn gezet, hun goederen gerestitueerd moeten krijgen.
HHM besluiten op het 25ste en 26ste punt conform de tekst.
XXVII Om de predikanten op het platteland in vrijheid te laten wonen, zullen geestelijken uit de stad die met toestemming op het platteland gaan wonen, gelast worden een vrijgeleide te verkrijgen of anders het platteland te verlaten.
XXVIII Aangezien geestelijken die een dergelijke vrijgeleide niet weten te bemachtigen het platteland zullen moeten verlaten, moeten in het verlengde van die maatregel ook pastoors en kloosterlingen die voorheen op het platteland woonden een dergelijke vrijgeleide zien te verkrijgen of eveneens het platteland verlaten.
HHM besluiten dat het 27ste en 28ste punt worden opgeschort tot na de besprekingen.
XXIX Aangezien betrouwbare bronnen berichten dat veel vijandelijk volk in de stad komt en blijft, zou van iedereen een eed van trouw moeten worden afgenomen, met ontzegging van de toegang tot de stad aan degenen die weigeren deze eed af te leggen.
HHM keuren dit punt goed.
XXX Op de door de stad 's-Hertogenbosch op 13 nov. 1629 overhandigde remonstrantie zou op het eerste punt, waarin om verlichting van de Hollandse middelen werd verzocht, kunnen worden geantwoord dat al voorafgaand aan de verovering om goede redenen besloten is daarin bij de capitulatie niet toe te stemmen.
XXXI Op het tweede punt zou toegestemd mogen worden in de vrijstelling van de 40ste penning op het transport van erfgronden en renten, en van de 30ste penning van de collaterale successie en wel voor de tijd van een jaar. Dit echter met dien verstande dat de verkopers die nu in vijandelijk gebied wonen of die zich gereed maken om daarheen te vertrekken, niet hetzelfde voordeel genieten maar verplicht worden de 80ste penning te betalen, en ook de 30ste penning van de collaterale successie.
XXXII Op het derde en vierde punt zou de stad gelast moeten worden zich te onthouden van voorstellen die strijdig zijn met het zestiende artikel van de capitulatie. Niettemin wordt hun ten aanzien van de verlaging van de wijn- en bieraccijnzen met de helft, 20 gld. toegekend met het oog op de grote reparatiekosten aan hun poorten en bruggen en de verlichtings- en stookkosten van de wachtplaatsen. Overigens zouden daarop tegenwoordig grote besparingen kunnen worden gedaan. Hun wordt verder aanbevolen in navolging van Hollandse steden en ter dekking van hun kosten, een verhoging van de belasting op enkele goederen in te stellen.
XXXIII Op het vijfde punt waarin zij aanbevelen dat het geschil betreffende de ontruiming van de parochiale kerken in de Meierij door tussenkomst van gedeputeerden wordt beslist, zou hun wel meegedeeld dienen te worden dat zij volgens hun eed het land getrouw behoren te zijn en naar hun vermogen moeten helpen om de religie te verdedigen. Zij zouden niets mogen gebieden waardoor de verbreiding van de religie en het aanzien van het land zouden kunnen worden geschaad, wat duidelijk wel zou gebeuren bij de besprekingen, zoals door hun voorgesteld.
XXXIV Aangaande het verzoek door de magistraat in een andere remonstrantie gedaan - teneinde de rentmeester van de geestelijke goederen te gelasten zich niet te bemoeien met het begijnhof omdat het geen geestelijk goed maar een wereldlijke stichting zou zijn die altijd onder de regering van de stad heeft gestaan - gelden de volgende overwegingen. Het betreft hier een besloten klooster met een pater en enkele gemene goederen, waarin nonnen net als in een geestelijk klooster hun geloften afleggen ook al is het toezicht erop aan de magistraat overgedragen. Dit is met verschillende andere kloosters en plaatsen in de stad gebeurd, die toch geestelijk zijn gebleven.
HHM besluiten conform het antwoord van de magistraat van 's-Hertogenbosch op de remonstrantie d.d. 14 nov. 1629 aan HHM overhandigd en in punt 30-34 weergegeven.
XXXV Met het oog op de aanstelling en het onderhouden van predikanten in de Meierij moeten schouten, secretarissen en andere officieren een eed afleggen zoals eerder is goedgevonden. Indien zij dat weigeren, zullen zij ontslagen en vervangen worden.
HHM keuren goed dat de aanzegging tegen 14 feb. aanstaande zal worden gedaan, conform het plakkaat dat met het oog daarop heden door de RvS is opgesteld en aangenomen.
XXXVI Voor het loon van predikanten dient als grondslag te worden vastgesteld dat zij niet minder verdienen dan waar zij eerder werkzaam waren.
HHM vinden goed dat de predikanten op het platteland die in de stad 's-Hertogenbosch beroepen worden vrij van huishuur zullen zijn en beloond zullen worden met 800 of 900 gld. jaarlijks. Degenen die uit andere steden worden beroepen zullen niet minder krijgen dan zij tegenwoordig verdienen, naast de vrijstelling van huishuur. HHM willen voorts dat de gedeputeerden zich precies op de hoogte zullen stellen of leden van de aangestelde kerkenraad te 's-Hertogenbosch met of zonder toedoen van de predikanten enkele personen te beroepen. Indien dat zo is, wil men weten hoever men daarmee is gevorderd. Hoe het ook zij, de gedeputeerden zullen ronduit verklaren, dat het de mening en intentie van HHM is om de kerk aldaar volgens de wetten van het land te regelen zoals eerder van tijd tot tijd gebruikelijk was in heroverde en veroverde steden, zonder te willen gedogen dat daartegen met directe of indirecte middelen wordt opgetreden. Verder hebben HHM in de vergadering besloten dat zij uit alle provincies vrome, vredelievende en begaafde predikanten zullen aanwijzen om de kerk van 's-Hertogenbosch daarmee zo snel mogelijk te kunnen bedienen.
XXXVII Ook schoolmeesters en kosters zullen op het platteland worden aangesteld en een traktement ontvangen, te voldoen uit de geestelijke goederen.
HHM stellen dit punt uit tot na de besprekingen.
XXXVIII Bij de capitulatie is bedongen dat eenieder zich zal moeten richten naar de plakkaten van het land. Omdat die onbekend zijn, zullen deze moeten worden gepubliceerd. De ambtsdragers zal worden opgedragen op de naleving ervan toe te zien en de pauselijke scholen en diensten niet toe te laten.
HHM keuren dit punt goed. De gedeputeerden wordt verzocht gedurende hun verblijf in 's-Hertogenbosch het plakkaat van HHM te laten publiceren.
XXXIX Om in de stad goede scholen op te kunnen richten, zou het met het oog daarop nuttig zijn bekwame gereformeerde schoolopzieners aan te stellen.
HHM zullen bij de magistraat aandringen op de oprichting van een goede school met gekwalificeerde schoolopzieners.
XL Voor de jonge meisjes zou een gereformeerde onderwijzeres aangesteld dienen te worden, waarvoor zich Maria Amory heeft aangediend, die ook door de magistraat wordt aanbevolen. Voorwaarde is dat haar voor de tijd van zes jaren 300 gld. jaarlijks wordt toegekend, naast vrijstelling van huishuur, omdat zij in de eerste jaren niet veel schoolgeld zal genieten en zij niet langer in Utrecht kan blijven wonen.
HHM besluiten dat de gedeputeerden met de magistraat en daarna met Maria Amory zullen spreken over de tijd van de aanstelling en zullen onderhandelen over het traktement, dit naar eigen goeddunken en in onderling overleg, maar zonder de 300 gld. jaarlijks te boven te gaan.
XLI Op aanbeveling van Gerestein was goedgevonden om Johan Gerritsen bij de magistraat voor te dragen als gerechtsbode. Omdat de beschikking daarover HHM rechtens toekomt, dient iemand de aanstelling van Johan Gerritsen in orde te brengen, om hem na het overlijden van de tegenwoordige bode in de bediening van dit ambt te benoemen. HHM zullen er conform hun besluit bij de magistraat op aandringen niemand anders dan Jan Gerritsen tot het ambt van gerechtsbode toe te laten. HHM zijn van verschillende kanten ingelicht, dat enkele leden van de huidige magistraat van 's-Hertogenbosch hun ambt met dispensatie of na voorafgaande toestemming van de pauselijke geestelijkheid hebben aangenomen. Eén van hen zou aan de pausgezinden in 's-Hertogenbosch alle besluiten onthullen, die ten nadele van hen en tot voordeel van het algemeen belang werden genomen.
HHM besluiten dat de gedeputeerden van HHM die naar 's-Hertogenbosch gaan zich over deze geruchten en de handel en wandel van deze personen precies op de hoogte stellen, om daarvan na hun terugkeer verslag uit te brengen opdat daarover te zijner tijd kan worden beschikt. De conceptinstructie die door de RvS conform de voorgaande resolutie is opgesteld en die de gedeputeerden van HHM zullen bespreken met de aartshertogin van Brabant, is na lezing goedgekeurd en aangenomen. De Raad wordt niettemin verzocht de eerste en nog een van de oudste raden uit de Raad van Brabant uit te nodigen, om van hen te vernemen, of zij niet meer redenen kunnen aanvoeren tot bekrachtiging van de bewering dat de Meierij van 's-Hertogenbosch ondergeschikt is aan de stad. Na voorlezing van het door de RvS opgestelde plakkaat betreffende de ambtsdragers in zowel het geestelijk als het wereldlijk bestuur van de Meierij van 's-Hertogenbosch dat na 14 feb. aanstaande van kracht zal worden, is het goedgekeurd en aangenomen.

1 Geïnsereerd door een klerk in S.G. 55. De tekst is ook gedrukt: Aitzema, S. & O. kwarto III, 134-144/folio I, 998-1002.