05/03/1630

05 - 03 - 1630

Presentielijst:

Gelderland:
Holland:
Zeeland:
Utrecht:
Friesland:
Overijssel:
Groningen:

Resoluties:

1 De RvS verschijnt ter vergadering en deelt mee dat hij op 20 feb. de Staten van Holland per brief heeft verzocht om in mindering op de 3.449.564 pond aan lasten van het jaar 1629, hun quote in de 255.293 pond te verschaffen. Daarvan zijn met goedvinden van HHM decharges naar de verschillende provincies uitgegaan. De Staten van Holland hebben 4 maart teruggeschreven, ten eerste dat ze met de betaling van hun quote in de decharges slechts hadden ingestemd met de restrictie dat het pas zal worden betaald ten kantore van ontvanger-generaal Doublet wanneer de quoten van de andere provincies daadwerkelijk en in baar geld eveneens zijn opgebracht. Ten tweede maken de Staten van Holland er bezwaar tegen om in mindering van de 3.449.564 pond, 11.000 gld. te betalen die de Generaliteit schuldig is voor het repareren en in orde brengen van de ponten en bruggen die verleden jaar te velde zijn gebracht. Daarnaast weigeren ze 14.000 pond voor te schieten, in mindering op de 24.000 pond ten laste van hun provincie in de staat van oorlog gerepartieerd. Zij houden het op de betaling van 2.000 pond per maand, nu al voor de derde maand. Zonder de beide betalingen zullen de ponten en bruggen dit aanstaande seizoen niet in gereedheid kunnen worden gebracht. Ten derde oordeelt Z.Exc. het van het hoogste belang de troepen van graaf Willem op de been te houden, en dus dat de maand soldij waarin is toegestemd, aan deze troepen wordt betaald. Ontvanger-generaal Doublet heeft echter, ondanks alle moeite die hij daarvoor gedaan heeft, deze maand soldij niet kunnen lenen. De Staten van Holland maken er verder bezwaar tegen het krediet van hun provincie in het bijzonder daarvoor te interponeren. De RvS geeft HHM ter overweging ermee in te stemmen dat elke provincie haar quote in de maand soldij prompt opbrengt. Ten vierde verklaart de RvS dat de provincies het toegezegde geld hebben opgebracht ter fortificatie van Ruhrort en Büderich, uitgezonderd Gelderland voor wat betreft het contingent van het Kwartier Nijmegen , Holland en Friesland . Holland heeft het geld echter gereed. Daarom verzoekt de RvS HHM toestemming om door te gaan met de aanbesteding van de voorgenomen fortificatie.
Rantwyck zal voor het Kwartier Nijmegen, en Eysinga en Veltdriel zullen voor Friesland de benodigde quoten van hun principalen verschaffen. Door de Staten van Holland wordt desalniettemin bezwaar gemaakt tegen het beginnen met de fortificaties, voordat al het toegezegde geld door de ontvanger-generaal ontvangen is.
HHM besluiten op het eerste en het tweede punt de RvS te verzoeken gezamenlijk de vergadering van de Staten van Holland bij te wonen, om ze tot betaling van de genoemde decharges trachten te bewegen, zonder enig voorbehoud, alsmede tot betaling van de genoemde 11.000 pond en het voorschot op de 14.000 pond. De Raad moet hun de problemen voorhouden die bij langer uitstel van betaling zouden kunnen ontstaan. Daarbij zou de serieuze toezegging gedaan moeten worden dat HHM alsmede de RvS alle middelen zullen aanwenden de andere provincies eveneens hun quote in de decharges te laten betalen, alsmede hetgeen nog resteert in de 3.449.564 pond. Op het derde punt wordt de RvS verzocht alsnog zijn pogingen voort te zetten de maand soldij langs de een of andere weg te verkrijgen, maar HHM maken bezwaar tegen het aannemen van het voorstel. Op het vierde punt besluiten HHM de verschaffing van het contingent van het Kwartier Nijmegen en de quote van de provincie Friesland af te wachten. De RvS wordt verzocht dit kwartier en deze provincie daartoe aan te manen.