13/02/1626, 13

13/02/1626, 13

13 Noortwijck stuurt d.d. Utrecht 11 feb. een aan hem gerichte brief van Buckingham met de propositie die hij, bijgestaan door Holland, op 14 dec. 1625 bij monde van Carleton heeft ingediend bij het afscheid van de Staten-Generaal en die HHM op deze wijze wordt overhandigd. 1De gezanten herinneren eraan dat hun ambassade zich heeft gericht op de restitutie van de Palts, het herstel van de vrede in Duitsland en de veiligheid van de bondgenoten en buren van Z.M. Aan deze drie punten is grote aandacht besteed door de betrokkenen, de ambassadeurs van de Deense koning en de afgevaardigden van de Staten-Generaal. Het vierde punt van de godsdienst heeft minder aandacht gekregen, aangezien het God heeft behaagd deze in beide landen te planten. Maar omdat de menselijke slechtheid de religie steeds bedreigt, raden de gezanten HHM opnieuw aan door waakzaamheid en gezag deze zeker te stellen. In navolging van zijn vader biedt Z.M. zijn hulp aan, niet alleen omdat hij deze staat een goed hart toedraagt, maar ook uit eigenbelang. Meer dan een van zijn voorgangers is hij nu nauw met de Staten-Generaal verbonden. De kracht en de deugd van deze confederatie is gelegen in de eenheid en die is afhankelijk van het belijden van één enkel geloof. Het ontstaan van facties moet worden voorkomen want die zijn in koninkrijken en aristocratieën al gevaarlijk, maar voor een door colleges en vergaderingen geleide democratie beslist ruïneus. De hier aanwezigen hebben met hun eigen ogen kunnen aanschouwen hoe een dergelijke verdeeldheid stad tegen stad en provincie tegen provincie deed opzetten. Deze wond bloedt nog. Toen, tijdens het Bestand, konden door het ontbreken van oorlogshandelingen passende maatregelen worden genomen, maar nu staat de vijand gewapend en wel weer voor de poorten om onmiddellijk over de religieuze bres binnen te marcheren. Een dergelijk tweedracht raakt ook Z.M. als naaste bondgenoot. Daarnaast zijn er zaken die vooral de onderdanen van Z.M. raken, maar ook hun weerslag hebben op de Republiek vanuit het perspectief van militie en commercie.
Zo is er een groot aantal Engelse en Schotse militairen in dienst van deze staat dat een betere behandeling verdient. Het traktement van de kapiteins gaat op aan het betalen van rente aan de solliciteurs. De officiers worden bovendien vaak bejegend als conducteurs wanneer hun mensen voor andere compagnieën worden ingezet of dienst doen op de schepen dan wel dijken aanleggen. Voor deze twee punten - de tekortschietende betaling en het onttrekken van soldaten aan hun compagnieën - hebben de officiers de Staten-Generaal al lang geleden aandacht gevraagd, maar tevergeefs. Nu zij hun toevlucht tot hem hebben genomen, vraagt de hertog de Staten-Generaal daarop te letten. Het is in hun belang krijgslieden te behouden die gehoorzaam, trouw, toegewijd en dapper zijn en die dus op zijn minst eenzelfde behandeling verdienen als de soldaten van de andere naties.
Voor drie groepen van kooplieden wordt aandacht gevraagd. De [Merchant] Adventurers hebben zich op gezette tijden bij Z.M. beklaagd over de tarra op het Engelse laken die hun winst opslokt. Meermaals is bij de Staten-Generaal aangedrongen op een regeling door de plakkaten op dit punt in te trekken, maar dit wordt gedwarsboomd. Vooral nu hun stapel in het hart van Holland is gevestigd, is er geen reden meer voor deze tegenwerking. Opnieuw wordt dan ook gevraagd een betere regeling te treffen voor deze belangrijke groep van onderdanen van Z.M. Daarnaast zijn er de klachten van de Engelse Oost-Indische Compagnie. Z.M. heeft in zijn goedheid toegestemd in het uitstel van achttien maanden inzake Amboina, maar er zijn nog andere klachten over het optreden van de VOC . De hertog heeft begrepen dat de onenigheden tussen de beide Compagnieën door een in de Republiek te houden conferentie kunnen worden opgelost. Hij zal bij de koning bepleiten dat iemand met dat doel hiernaartoe wordt gezonden. Hij vraagt de Staten-Generaal met hun gezag te bewerken dat het nieuwe traktaat vruchtbaarder is dan de vorige. Tot slot vragen de gezanten aandacht voor de Engelse kooplieden die als eersten de walvisvaart bij Groenland zijn begonnen en daar uit naam van de koning gebied in bezit hebben genomen. Zij worden voortdurend gehinderd en benadeeld door onderdanen van deze staat. De Staten-Generaal hebben verschillende keren genoegdoening toegezegd en uiteindelijk hun ambassadeur bij Z.M. gemachtigd alle klachten uit het verleden af te doen en een regeling voor de toekomst te ontwerpen. Omdat dit tot nu toe niet is verwezenlijkt zou toch, voordat de vloot voor de walvisvaart opnieuw wordt uitgerust, de genoegdoening geregeld moeten worden.
De ambassadeurs danken voor de grote eer die via hun persoon aan de koning is bewezen. Zowel Z.M. als zijzelf zullen deze altijd zoeken te vergelden.
De provincies hebben om een kopie van de propositie verzocht.

1 De in het Frans gestelde propositie is geïnsereerd in S.G. 3185.