20/05/1626, 20

20/05/1626, 20

20 Met Z.Exc. en de RvS is, na gedaan verslag, gesproken over de zaak van Oost-Friesland. Met hun advies is het volgende besluit1 genomen.
Aangezien de graaf van Oost-Friesland zich heeft beklaagd over het door gecommitteerden van HHM uitgesproken oordeel over de kwesties die tussen hem en zijn stenden en in het bijzonder de stad Emden speelden, is op zijn verzoek een bijeenkomst vastgesteld van de betrokken partijen die met volkomen last op 15 april zouden verschijnen om op grond van de bestaande verdragen en akkoorden tot een oplossing te geraken. Na aankomst van de vertegenwoordigers van de graaf, de ridderschap, de steden Norden en Aurich, de huismansstand en de stad Emden zijn hun proposities en verzoeken door HHM onderzocht. Gecommitteerden van HHM hebben de partijen gehoord en geprobeerd tot een vriendschappelijk akkoord te komen. Uit hun verslag is naar voren gekomen dat de gedeputeerden van de graaf op enkele punten van het in Oost-Friesland uitgesproken oordeel met betrekking tot de stad Emden bezwaren bleven houden. Zij wilden echter niet ingaan op hetgeen Syriacus Hiske namens de stenden had ingebracht aangezien de graaf zich inmiddels met ridderschap, steden en huismansstand zou hebben verzoend. Hiske heeft echter aangevoerd dat zijn last niet was achterhaald, aangezien er sinds zijn vertrek geen nieuwe Landdag was gehouden. De vertegenwoordiging van Emden stelde niet met de graaf tot overeenstemming te zijn gekomen en als lid van de stenden bereid te zijn de grieven van de graaf aan te horen en te beantwoorden. Diens gedeputeerden wilden echter geen opening van zaken geven, aangezien zij nu geen last meer hadden en die eerst wilden verkrijgen. Inzake het voorstel van HHM de pachters, burgers en reizigers betere bescherming te bieden tegen roversbenden wilden alle deputaties eerst ruggespraak met hun principalen. Hiske heeft nog verzocht dan toch de specifieke grieven van de stad Norden en de huismansstand af te doen, maar ook op dit punt wilden de afgezanten van de graaf eerst diens mening vernemen.
Daarom hebben HHM, na dit alles uitvoerig met de prins van Oranje en de RvS te hebben besproken, besloten om de conferentie uit te stellen tot 1 juli n.s. Dit om de graaf niet te benadelen en alle bezwaren niet stuksgewijs, maar in één keer af te handelen om zo de goede verhouding tussen de graaf en zijn onderdanen en de eenheid in Oost-Friesland te herstellen. Alle partijen dienen op die datum in persoon of bij vertegenwoordiging volledig gelast en geïnstrueerd in 's- Gravenhage te zijn. Tot die tijd blijft de uitspraak gehandhaafd en vertrouwen HHM erop dat de graaf zijn onderdanen in de uitvoering daarvan niet belemmert. De bezetting van het graafschap en de betaling van het garnizoen in Emden lijden evenwel geen uitstel en ook dient de stad haar voorschot terug te krijgen. Daarom wordt met onmiddellijke ingang de door de gecommitteerden ontworpen en door HHM geapprobeerde bezetting uitgevoerd. Ook hetgeen de stenden naar voren hebben gebracht over de "kluftordening" zal door de administratoren nauwgezet worden gehandhaafd. De afgesproken middelen en schattingen dienen te worden geïnd en daaruit moet wekelijks het garnizoen van Emden worden betaald, zodat de stad daarmee niet langer wordt belast. Ook andere schulden en het door de stad voorgeschoten bedrag dienen daaruit terugbetaald te worden. Alle partijen zal specifieke kopie van deze resolutie en het genoemde bezettingsplan worden meegegeven. De gecommitteerden van de graaf krijgen ook nog een afschrift van de specifieke bezwaren van de stad Norden en de huismansstand.
De inhoud van het bezettingsplan luidt als volgt: Emden staat twee of drie van de door de stenden van Oost-Friesland onderhouden compagnieën af voor de bewaking van de grenzen van Oost-Friesland bij Gödens, Lengener Moor, Hollener Moor, Schwarzerweg of Collinghorst bij Detern, Hampoel en Diele. Op die plaatsen zal de graaf, voor zover niet aanwezig, schansen inclusief hutten en wachthuizen laten aanleggen. De compagnieën zullen niet door de stad Emden maar door hun kapiteins volgens de hier gegeven verordening worden gecommandeerd. Wel mag de stad in geval van nood de compagnieën terugroepen. Bij overlijden van een officier zal de eerstvolgende in rang hem opvolgen. De compagnieën blijven gehandhaafd in de eed van trouw aan de graaf, de stenden van Oost-Friesland en de stad Emden, maar moeten bovendien zweren naar vermogen vagebonden en gewapende roversbenden van welke zijde dan ook te weren en eventuele indringers te achtervolgen, gevangen te nemen en over te dragen aan de officieren van de graaf. Zij zullen deze lieden onmiddellijk doden als zij worden betrapt op publieke geweldpleging of op het hebben van gevangenen. Zelf dienen zij de inwoners van Oost-Friesland geen enkele overlast te bezorgen. Mocht dat wel gebeuren of als er sprake is van andere delicten dan wel desertie, dan zullen de schuldigen berecht worden door een uit het garnizoen samen te stellen krijgsraad. De bevelvoerende officieren zullen elkaar voortdurend op de hoogte houden, waarschuwen voor gevaar via onderling af te spreken signalen, en elkaar bijstaan.
De graaf zal de nabijgelegen garnizoenen in Lingen, Oldenzaal, Bourtange, Bellingwolde en Coevorden waarschuwen deze verordening serieus te nemen en van Oost-Friesland af te blijven. Hij zal de ingezetenen van het graafschap gebieden geen soldaten, rovers of vagebonden te huisvesten of te verzorgen. Integendeel, zodra zij dergelijke lieden ontwaren dienen ze de bevelvoerende officier in te lichten, de klokken te laten luiden en de achtervolging in te zetten. Blijft iemand in gebreke, dan zal hij worden gestraft en aansprakelijk worden gesteld voor de daardoor ontstane schade.
De huismansstand van Oost-Friesland heeft zich beklaagd over de oproep binnen acht dagen in Leerort te verschijnen teneinde huur te betalen over landerijen waarvan het gebruik vervallen is. Dit is in strijd met het eerste artikel uit de uitspraak van 1611.
De graaf van Oost-Friesland zal worden aangeschreven zijn ambtsdragers van dit soort praktijken af te houden en de onderdanen volgens de bestaande akkoorden en verdragen te behandelen.
Naar aanleiding van de remonstrantie der gezamenlijke gedeputeerden van Oost-Friesland tegen het in rekening brengen van het opgeld van de geleende 50.00 rijksdaalder in specie is besloten dat zij mogen volstaan met restitutie in bankgeld in plaats van specie.

1 Ingeschreven in S.G. 51 door een klerk. De resolutie is gedrukt: Aitzema, S. & O. kwarto II, 52-56/folio I, 511-512.