23/05/1626, 13

23/05/1626, 13

131 De ambassadeur van Perzië heeft, na audiëntie te hebben verzocht, in de vergadering gemeld dat zijn collega die naar Engeland was gestuurd aldaar in het geheel niet zo goed is behandeld als men had verwacht. Met zijn gevolg aangekomen in Duins [Downs], stelde hij vast dat de schepen al waren vertrokken. Als HHM dit toestaan, zou hij graag hiernaartoe willen komen met de zijden stoffen van de Perzische koning om die hier te verkopen. Het besluit zou natuurlijk niet tot onenigheid met de koning van Engeland moeten leiden. De ambassadeur vraagt zich af of hier, zoals in Engeland, invoerrechten over de zijde moeten worden betaald. Hij beklaagt zich eveneens over de hertog van Guise die in Frankrijk Perzische goederen en zijde heeft geconfisqueerd en verzoekt uiteindelijk een voorlopig antwoord op de vraag of zijn komst HHM aangenaam is, zodat hij dat aan zijn koning mag schrijven.
Vosbergen en Boetzler zullen nader met de ambassadeur spreken over deze kwestie. HHM willen vernemen wat nu de precieze intentie is van de komst van zijn collega uit Engeland, hoe zijn eigen mening daarover luidt en of hij hier ook als privépersoon zou willen komen. De genoemde heren zullen eerst nagaan of voor de ingevoerde zijde van de koning ook konvooi is betaald om dit vervolgens de ambassadeur te kunnen meedelen. Wat de klachten over de gang van zaken in Frankrijk aangaat, zal hem worden geadviseerd zich te wenden tot de ambassadeur van Frankrijk en biedt men hem de ondersteuning van HHM aan. Tot slot zullen Vosbergen en Boetzler meedelen dat de komst van de ambassadeur HHM aangenaam is en, indien hij dat verlangt, zal hem dit op schrift worden gegeven.

1 Deze resolutie is gedrukt: Dunlop, Bronnen Oostindische Compagnie Perzië I, 695-96.