28/09/1626, 7

28/09/1626, 7

71 Z.Exc. stuurt met zijn brief d.d. Vynen 23 sept. een aan hem aangeboden memorie van de Perzische ambassadeur mee en vraagt HHM over de daarin gedane verzoeken te beslissen. De ambassadeur wil, ten eerste, op eigen kosten ongeveer vijftien bekwame personen meenemen. Dan biedt hij aan voor Z.Exc. uit Perzië te laten komen wat deze maar zou mogen begeren, terwijl hij tegelijkertijd verzoekt zijn dienaar hiernaartoe te mogen sturen met dertig tot veertig balen zijde. In de derde plaats vraagt hij meer respect van de VOC . Voorts overweegt hij zelf een jacht te kopen om daarmee naar Perzië terug te keren. Ten slotte verwacht hij een betere behandeling van de Compagnie als HHM een ambassadeur met hem mee laten varen.
Burgemeester Bas en pensionaris Pauw zijn ontboden om over dit alles te beraadslagen. Met hun advies is besloten dat inzake het eerste punt met de Compagnie zal worden gesproken over het meenemen van ongeveer zes personen. Hun namen moeten wel worden geregistreerd en zij dienen bij de matrozen te worden ondergebracht. Wat het punt van de geschenken en de zijde betreft hebben HHM octrooi verleend aan de Compagnie om uitsluitend met Nederlandse schepen goederen uit en naar Oost-Indië te vervoeren en daaraan kan niet worden getornd. Op het derde punt zal de Compagnie worden opgedragen hem naar zijn rang te behandelen. Tenslotte adviseren HHM de ambassadeur niet te wachten op het vertrek van hun gezant, maar gebruik te maken van de nu voor vertrek klaarliggende schepen van de Compagnie.
De Perzische ambassadeur heeft volgens de gecommitteerden van HHM ook verzocht het door de VOC verstrekt antwoord op de klachten van de Perzische koopman op schrift te mogen hebben.
HHM staan dit toe en laten toevoegen dat zij het antwoord beredeneerd vinden.

1 Deze resolutie is gedrukt: Dunlop, Bronnen Oostindische Compagnie Perzië I, 709-11.