01/10/1626, 11

01/10/1626, 11

11 Dr. Amama compareert en overhandigt zijn credentie d.d. 23 sept. Hij dient namens de graaf van Oost-Friesland een propositie 1 in waarin wordt verzocht een tijdstip vast te stellen waarop de zaak tussen de graaf en zijn onderdanen zal worden hervat. Hij zal persoonlijk aanwezig zijn.
Amama brengt de vriendelijke groet en de welgemeende wens tot goede betrekkingen van zijn heer, de graaf van Oost-Friesland, over. Hij wil HHM duidelijk maken waarom de graaf de voor 1 juli in 's- Gravenhage voorziene ontmoeting met de vertegenwoordigers van Emden niet heeft kunnen nakomen. Onder meer het verzoek van magistraat en Veertigraad de nog resterende geschillen tussen graaf en stad onderling in het graafschap op te lossen, heeft daarbij een rol gespeeld. De graaf heeft hierin toegestemd omdat dit ook in overeenstemming was met de door HHM aan diens afgezant meegegeven resolutie, ook al wist hij bij voorbaat dat het overleg op niets zou uitlopen. Amama zou, indien hij de vertegenwoordigers van Emden hier had aangetroffen, uitvoerig hebben uitgelegd waarom de besprekingen onvruchtbaar zijn gebleven om vervolgens de beraadslagingen conform zijn last te hervatten. Nu zij zijn vertrokken zal hij dat uitstellen tot het volgende beraad en dan aantonen hoezeer de graaf zich ten behoeve van de vrede heeft willen schikken. Omdat enkele lieden neigen tot een ongebonden vrijheid heeft diens billijk optreden evenwel geen resultaat gehad.
De graaf heeft inmiddels vernomen dat de vertegenwoordigers van Emden, aangevuld met enkele leden van het College [van Administratoren], het hier te houden beraad willen verplaatsen naar Oost-Friesland ten overstaan van de gedeputeerden van HHM. Hij voelt daar niets voor en heeft Amama in allerijl hiernaartoe gezonden om de besprekingen weer op te nemen. Ondertussen bereidt hij zich voor op zijn persoonlijke deelname aan de onderhandelingen, laat hij verzekeren op een bepaalde tijd HHM de handen te komen kussen en zal hij hen met zijn optreden zonder twijfel tevredenstellen. Helaas zijn er lieden die HHM proberen wijs te maken dat de graaf in Emden onenigheid probeert te scheppen, tussen de magistraat en anderen, om de stad zo aan een der partijen uit te leveren. De graaf bezweert HHM niet naar zulke kwaadsprekerij, die nooit bewezen zal worden, te luisteren. Hij wenst niets anders dan het behoud van zijn privileges conform de akkoorden en wil Emden doen toekomen waarop de stad volgens de verdragen recht heeft.
Nu de vertegenwoordigers van Emden zijn vertrokken en de graaf de besprekingen hier wil voortzetten en afhandelen, wordt HHM verzocht de inmiddels verordende bezending op te schorten en te herroepen. Beter zou het zijn die van Emden, voorzien van de nodige last, op te roepen om alhier op een bepaalde dag te verschijnen. Ook de ridderschap, de steden Norden en Aurich en de huismansstand zouden opgeroepen moeten worden als zij iets te klagen hebben, met dien verstande dat zij hier met de passende kwalificaties verschijnen. De graaf heeft inzake het College [van Administratoren] uitsluitend te maken met degenen die het beheer van de gemene gelden is opgedragen. Als de graaf van de dag op de hoogte wordt gesteld zal hij zeker tegenwoordig zijn om te bewerken dat de zaak beëindigd wordt. Deze handelwijze zal al het ongenoegen dat door de bezending veroorzaakt zou kunnen worden, voorkomen en tevens de onderlinge betrekkingen bevorderen.
HHM nemen nog geen besluit.

1 Geïnsereerd in S.G. 3185.