06/11/1626, 2

06/11/1626, 2

2 Sommelsdyck compareert en brengt naar voren dat de RvS de brieven van de gedeputeerden te Emden en het schrijven van de graaf van Oost-Friesland heeft bestudeerd. De RvS acht de zaak van groot belang en wil iemand naar Z.Exc. sturen. Aangezien de RvS zwak is, zou iemand uit de vergadering van HHM moeten gaan.
Nadat is besloten eerst de mening van de RvS te horen, verschijnt die ter vergadering en adviseert twee afgevaardigden met Z.Exc. te laten overleggen hoe Emden voor de Republiek behouden kan blijven. Ook zou besproken moeten worden hoe te voorkomen dat de Veertigraad meer gezag aan zich trekt dan hem toekomt. In de tussentijd zou de graaf geschreven kunnen worden dat weer gedeputeerden naar Emden zijn gezonden omdat men vanaf mei tevergeefs op zijn komst heeft gewacht. In het schrijven zou hem verder verzocht kunnen worden met deze afgevaardigden in conferentie te treden onder de verzekering dat HHM niet uit zijn op het ondermijnen van zijn eer en hoogheid, maar juist rust en eenheid in het graafschap willen bevorderen en de goede betrekkingen met de graaf en zijn stenden in stand willen houden.
Walta en Sloot zullen het overleg met Z.Exc., Ernst Casimir en de gedeputeerden te velde voeren. Nadat zij verslag hebben uitgebracht zal over de brief aan de graaf worden beslist.