05/12/1626, 9

05/12/1626, 9

9 Aangevoerd wordt dat Z.Exc. naar aanleiding van de eergisteren ontvangen brief van de Gedeputeerde Staten van Groningen voorstelt van de 43 in Friesland en Groningen gelegerde compagnieën soldaten er vijftien bij Dalen onder te brengen. Die kunnen dan tezamen met de vijftien ruitercompagnieën uit de IJsselsteden de vijand het hoofd bieden als die naar Friesland of het Oldambt zou willen optrekken. In het voorstel1 wordt in geval van strenge vorst de bezetting in Friesland, Groningen, Drenthe en Westerwolde als volgt georganiseerd: drie compagnieën voetvolk in Groningen, twee in Delfzijl, vijf in Emden, twee op fort Leerort, twee bij de schans van Bellingwolderzijl, drie in het Oldambt, drie in Bourtange, vijf in Coevorden, een bij schans Avereest en twee in Zevenwouden. De vijftien resterende compagnieën zouden als aparte strijdmacht ter bescherming van Friesland bij Coevorden gelegerd moeten worden of bij Dalen als het Oldambt zou worden bedreigd. Daar dienen de twee al aanwezige ruitercompagnieën versterkt te worden met nog eens vijftien. In het geval de belasting voor de boeren van Dalen te zwaar is, zou een deel van de ruitercompagnieën ondergebracht kunnen worden in Groningen, Coevorden en Steenwijk. Friesland en Groningen zouden ook nog acht kamerstukken - zesponders - kunnen toevoegen. Dit geschut moet voorzien zijn van goede affuiten, getrokken worden door een tweespan en over scherp en buskruit kunnen beschikken. Dalen zou op de inlegering kunnen worden voorbereid met de aanleg van een vestingwal en de geleidelijke aanvoer van het nodige voer voor de paarden en proviand voor het volk.
HHM hechten hun goedkeuring aan dit voorstel en zullen het naar de Gedeputeerde Staten van Groningen sturen opdat zij de nodige maatregelen nemen. Om verdere onkosten te voorkomen dienen zij hun waardgelders af te danken. Het voorstel gaat ook naar Ernst Casimir met het verzoek bij de Staten van Friesland en die van Groningen aan te dringen op aanvaarding en uitvoering van het plan.

1 Geïnsereerd in S.G. 3185.