15/01/1627, 1

15/01/1627, 1

1 Gemeld wordt dat de graaf van Oost-Friesland zich bij Z.Exc. zeer heeft beklaagd over de resolutie van gisteren. Hij is niet van zins nog langer te blijven en het oponthoud lijkt hem willekeurig. Het schijnt alsof hij verdacht wordt gemaakt; nochtans heeft hij geen aanleiding gegeven om te denken dat hij naar de tegenpartij neigt.
Essen, Noortwijck en Walta zullen proberen de graaf ervan te overtuigen dat zijn persoonlijke aanwezigheid gewenst is. Hij zou de komst van de stenden dienen af te wachten aangezien dan de openstaande geschillen kunnen worden behandeld, in het bijzonder de bezetting van zijn land.