23/01/1627, 11

23/01/1627, 11

11 Willem Ubbena toe Eenum, Edzart Jacob Clant, Rembt Jensema en dr. Schate Gockinga, respectievelijk jonker, hoofdeling, raad en rechtskundig adviseur van de Ommelanden, zijn in de vergadering verschenen. Na afgifte van hun credentiebrieven d.d. Groningen 14 dec. 1626 hebben zij namens de jonkers, hoofdelingen, eigenerfden en volmachten van de Ommelanden eerst mondeling en daarna schriftelijk de volgende propositie ingediend.
1 Al vele jaren - nog van voor de overgave van de stad Groningen - heerst er onenigheid tussen deze stad en de Ommelanden, waardoor misverstanden zijn ontstaan. De Ommelanden hebben in naleving van de Unie van Utrecht de geschillen telkens aan de Staten-Generaal voorgelegd. Ook de stad Groningen heeft zich volgens het reductietraktaat van 22 juli 1594 tot deze procedure verplicht. HHM hebben de geschillen opgelost door uit de meeste provincies voorname rechtsgeleerden te committeren die, na uitgebreid onderzoek van door beide partijen ingediende documenten, naar hun beste weten besluiten hebben genomen. In bijna alle gevallen heeft de stad rechtens gelijk gekregen, hetgeen door de Ommelanden is gerespecteerd om de vrede in de provincie te bewaren. De stad had echter grote moeite met de uitvoering van deze besluiten en heeft zich daar dusdanig tegen verzet dat HHM, ondanks bezendingen en diverse ernstige aanmaningen van de stadhouder van Stad en Lande, genoodzaakt zijn geweest de uitvoering van de besluiten en sententies gewapenderhand af te dwingen. Niettemin is de stad op diverse heimelijke manieren doorgegaan met tegenwerking. Op de recente Landdag in december hebben de heren van de stad hun verzet tegen de sententies daarentegen openlijk toegegeven. Zij menen in hun recht te staan, maar dat is door de Ommelanden tegengesproken. De akten die de stad in strijd met de uitspraken van HHM uitgeeft, moeten daarom niet als rechtsgeldig worden beschouwd, integendeel zij verdienen de boeten en straffen uit het plakkaat dat HHM op 10 april 1600 te Groningen hebben doen publiceren. De Ommelanden hebben hun in de Landdag uitgesproken standpunt willen laten vastleggen door de secretarie van de provincie, maar de stad heeft dit verboden en vervolgens verhinderd dat van deze weigering akte aan de Ommelanden werd verstrekt.
De Ommelanden voelen zich daarom genoodzaakt stappen te ondernemen tegen het voornemen van de stad haar beleid te handhaven, maar die zullen over en weer tot verbittering leiden, eventueel uitstel van de consenten en van de betaling van soldaten alsmede bestuurlijke wanorde opleveren. Daarom hebben de Ommelanden besloten eerst in allerijl een delegatie naar de Staten-Generaal te sturen, hoewel de stad dit met alle middelen heeft geprobeerd tegen te houden. De diverse meningsverschillen zijn echter van zodanige aard dat hun oplossing geen uitstel duldt noch onderling te schikken zijn. De Ommelanden wensen geen haarbreed van de sententies af te wijken en zijn daarom geenszins van plan, hetzij door bemiddeling van de stadhouder hetzij door gedeputeerden of gecommitteerden, tot een vergelijk te komen. In plaats daarvan zouden de uitspraken en het plakkaat strikt naar de letter dienen te worden nageleefd.
De Ommelanden wijzen er allereerst op dat de Staten-Generaal in hun sententie van 21 januari 1597 hebben verklaard de stad Groningen en de Ommelanden te beschouwen als een ondeelbare provincie. Als zodanig dient stad en Ommelanden door de Staten van dit gewest te worden bestuurd en is het aan een van de constituerende delen verboden om zich te onttrekken aan de geldende besluitvorming van diezelfde Staten. De stad heeft de provincie feitelijk opgesplitst en ziet zichzelf, tezamen met de stadstafel, Oldambten en Gorecht, als een aparte heerlijkheid waarover de Ommelanden niets te zeggen hebben. Daarentegen worden de Ommelanden gezien als een heerlijkheid, die onder gezamenlijk bestuur van stad en Ommelanden zou vallen.
Ten eerste heeft de denkbeeldige soevereiniteit van de stad ertoe geleid dat burgemeesters en raad van Groningen in hun eigen naam en louter tot profijt van de stad, zonder voorgaande kennis of instemming van de Staten, op al het verbruik in de stad en tevens op alle in- en uitgaande goederen verscheidene nieuwe heffingen en tollen, die voor 1571 niet bestonden, hebben ingevoerd. Deze worden naar eigen goeddunken van tijd tot tijd verhoogd. Dit gaat regelrecht in tegen het 2e, 3e en 9e artikel van de sententie van 21 januari 1597 en tegen het 19e artikel van de sententie van 8 maart 1599. Dit schaadt tevens de inwoners van de Ommelanden en strekt tot nadeel van de gemene middelen.
Ten tweede heeft de denkwijze van de stad, waarbij zij in het ene deel van de provincie alleen en in het andere deel gezamenlijk met de Ommelanden zeggenschap claimt, ertoe geleid dat burgemeesters en raad van Groningen met betrekking tot hun jurisdictie over de stad en haar grondgebied uit eigen naam en autoriteit wetten en ordonnanties uitvaardigen met betrekking tot het Oldambtse landrecht en ordonnanties op de wachten in het Oldambt, wederom in strijd met het 2e, 3e en 9e artikel van de sententie uit 1597. De Ommelanden willen ook maatregelen tegen bepaalde dwalingen die in de Groningse provincie in zwang zijn en waarover de predikanten zich bij de Staten hogelijk hebben beklaagd. Ter remedie zijn door de warven en hoofdmannen enige artikelen opgesteld, die aan de Staten overhandigd zijn. Dit alles heeft tot gevolg gehad dat er in de Ommelanden geen goede verordening op de wachten is en dat er niets vruchtbaars is ondernomen op de klachten van de predikanten. De Ommelanden hebben nooit gedoogd en kunnen ook niet toestaan dat de heren van de stad in deze en andere punten rakende de regalia en de soevereiniteit van de hele provincie van Stad en Lande eerst in eigen naam met betrekking tot de jurisdictie van de stad en haar grondgebied wetten en ordonnanties maken, en vervolgens in dezelfde zaken in de Ommelanden het halve gezag claimen en ook nog voorrang bij het stemmen.
Ten derde volgt uit de voorgewende soevereiniteit dat burgemeesters en raden van Groningen in eigen naam plakkaten maken en uitvaardigen in de stad en het daarbij behorend rechtsgebied, te weten in het Oldambt betreffende de sauvegarde en correspondentie met de vijand, de muntzaken en andere zaken die strijdig zijn met het 2e, 3e en 9e artikel van de sententie uit 1597.
Ten vierde veroorzaakt deze fictieve soevereiniteit dat er geen mandaten of plakkaten van de provincie of van HHM in de stad of haar rechtsgebied verzonden of gepubliceerd mogen worden, tenzij op naam van burgemeesters en raden gesteld of anders tenminste vergezeld gaand van hun eigen mandaten en plakkaten. Op deze wijze wordt de soevereiniteit van een van de constituerende delen van Stad en Lande geschonden. Aangezien deze delen gezamenlijk een provincie vormen, volgt hieruit dat de soevereiniteit bij hen gezamenlijk ligt en niet bij één van hun alleen of bij elk apart. Het 2e, 3e en 9e artikel van de sententie uit 1597 wordt aldus openlijk door de stad Groningen met voeten getreden.
Ten vijfde leidt de denkbeeldige soevereiniteit ertoe dat in de uitschrijvingen van de verpondingen of contributies door de gedeputeerden van Stad en Lande tussen de inwoners van de Ommelanden en de inwoners van het Oldambt een scheiding is aangebracht. Nochtans dienen in conformiteit van de sententie van 1597 alle mandaten van uitschrijvingen gezamenlijk over alle inwoners van Stad en Lande te worden gedaan. De burgemeesters wensen echter niet langer als een lid van de provincie te worden aangeschreven, alhoewel zij wel samen met de Ommelanden op de Landdag zijn verschenen.
Ten zesde zorgt de fictieve soevereiniteit voor diverse andere onduidelijkheden in het bestuur van stad en Ommelanden. De drost en de gevolmachtigden van het Oldambt willen niet uitsluitend op aanschrijving van de Staten voor hun verschijnen, zij verlangen een begeleidend schrijven van burgemeesters en raden van Groningen.
Ten zevende is op de jongste Landdag geconstateerd dat de stad de geweldige van Stad en Lande niet heeft toegestaan een bode naar de provinciale gevangenis te brengen teneinde door de advocaat-provinciaal te worden berecht. Deze bode zou namens enige kerspelen geld naar Meppen in Westfalen en vandaar naar Lingen aan de vijand hebben gebracht. De stad deed hetzelfde ten aanzien van een andere gelddrager, die namens enige kerspelen uit de Ommelanden geld naar Lingen had gebracht.
Ten achtste heeft de denkbeeldige soevereiniteit van de stad ervoor gezorgd dat zij op de laatste Landdag ook niet heeft willen gedogen dat de gedeputeerden degenen uit de stad en haar rechtsgebied, die de resoluties en plakkaten van Stad en Lande betreffende sauvegarde en correspondentie met de vijand overtreden, vervolgen en bestraffen. In plaats daarvan wil de stad gerechtelijk onderzoek en rechtspraak aan zichzelf houden, in strijd met het 2e, 3e, 6e en 9e artikel van de sententie van 1597. De Ommelanden willen en kunnen echter niet toestaan dat de gedeputeerden meer gezag over de inwoners van de Ommelanden hebben dan over de inwoners van de stad en haar rechtsgebied. Omdat de gedeputeerden van Stad en Lande de uitvoering van provinciale resoluties zo niet ter hand kunnen nemen, vreest men dat binnen niet al te lange tijd het gehele platteland door de vijand onder contributie zal worden gesteld. De Ommelanden willen dit graag voorkomen en hebben daarom na de laatste Landdag de inwoners van de Ommelanden aangeschreven zich op dit punt naar eerdere resoluties en plakkaten van Stad en Lande te gedragen. Deze aanschrijving is door de stad in haar rechtsgebied verboden. Dit hebben zij in eigen naam per plakkaat gedaan onder dreiging met hoge straffen voor het Oldambt. Men eigent zich zo de provinciale soevereiniteit over het Oldambt toe, dit in tegenspraak met het 2e, 3e, 6e en 9e artikel van de sententie uit 1597. De stad heeft op de genoemde Landdag zelfs ronduit verklaard dat Oldambt en Gorecht niet tot de provincie van Stad en Lande behoren.
Ten negende volgt uit de denkbeeldige soevereiniteit dat de stad aan stadhouder graaf Ernst van Nassau (naast diens algemene instructie van Stad en Lande) een particuliere instructie hebben gegeven, die hij ook zonder medeweten van de Ommelanden heeft ondertekend. Ook dit is in strijd met de artikelen van de sententie uit 1597. Daarnaast probeert de stad de Ommelanden hun provinciale soevereiniteit en de ingezeten hun vrijheden te ontnemen. Zo wil de stad geen muntslag in de provincie toestaan, maar wel laat zij haar eigen munt doorgaan, ook al is de Staten-Generaal stopzetting toegezegd tegen 2000 gld. per jaar.
Burgemeesters en raad van de stad handelen ten opzichte van de inwoners van de Ommelanden en van enige tappers uit het Westerkwartier alsof het hun slaven zijn. De tappers worden aan de hoogstbiedende brouwer van Groningen verpacht, waarbij het overige brouwers in de stad verboden is bier aan deze tappers te verkopen. Tevens mogen de tappers geen bier bij andere brouwers halen of kopen. Dit alles geschiedt onder het mom van het maken en onderhouden van een nieuwe brug in het Westerkwartier maar is in strijd met het 10e en 14e artikel van de sententie van 1597. Deze verpachting is eerst geprobeerd met één of twee tappers die bij de nieuwe brug wonen en vervolgens uitgebreid tot alle tappers die tussen deze brug en de oostzijde van de Enumatil wonen.
Tevens probeert de stad de Ommelandse kramers hun vrijheid te ontnemen door naleving van het 22e artikel uit de lijst van de pacht op het wollenlaken, ook al is dit sinds de invoering van de gemene middelen over de stad en de Ommelanden nooit gedaan en is het in strijd met het 10e artikel van de sententie van 1597. De fictieve soevereiniteit zorgt er mede voor dat tegen diverse misbruiken op de kamer van de hoofdmannen niets kan worden ondernomen en dat de heren niet naar behoren benoemd worden. De denkbeeldige soevereiniteit is er tevens de oorzaak van waarom over de opdracht tot revisie van enige jaren terug, geen resolutie is genomen.
Naast al het vorige zijn er nog diverse andere punten waarmee de stad de Ommelanden onnodig treft. De jonkers, hoofdelingen, eigenerfden en volmachten van de kerspelen van de Ommelanden tussen de Eems en de Lauwers concluderen dan ook dat zij voldoende reden hebben om tegen de heren van de stad te procederen tot stopzetting van de overtredingen strijdig met de sententies van HHM van respectievelijk 21 januari 1597 en 8 maart 1599. Verder willen zij rechtzetting van alle onbillijkheden door de stad tegen de Ommelanden begaan en bestraffing volgens het plakkaat d.d. Groningen 10 april 1600. Nochtans is goedgevonden dit vooralsnog in overweging te houden en, alvorens verdere stappen te ondernemen, HHM van de overtredingen op de hoogte te stellen. Die zouden dan ambtshalve met de uiterlijk 22 februari vast te stellen nieuwe keur van de gedeputeerden van Stad en Lande, naar believen kunnen bepalen wat er gedaan dient te worden om onenigheden in de regering van Stad en Lande te voorkomen. Tevens zou men op deze wijze verder misbruik van de sauvegarden op het platteland kunnen beletten.
Rantwijck, Noortwijck, Beaumont, Hertevelt, Walta en Haersolte zullen de propositie onderzoeken.

1 Geïnsereerd in S.G. 3186.