27/02/1627, 16

27/02/1627, 16

16 HHM hervatten de behandeling van de remonstrantie van de gedeputeerden van Dordrecht, op 21 jan. door de afgevaardigden van de Rotterdamse Admiraliteit overhandigd. Het stuk bevat onder meer plannen voor de beveiliging van de Hollandse rivieren. Een betere beveiliging van de rivieren tegen vijandelijke aanvallen is wenselijk, mede ter voorkoming van de dagelijkse fraude met de licenten die via sluiproutes geschiedt. Het schriftelijke advies van de RvS is gelezen en ook is gerapporteerd dat Z.Exc. instemt met het voorstel en het graag ziet uitgevoerd. Het voorstel 1 kan met nauwelijks meer volk en onkosten onevenredig groot voordeel voor het land opleveren.
Het voorstel is door de gedeputeerden van Dordrecht op 11 nov. 1626 aan de Gecommitteerde Raden van Holland en daarna ten overstaan van twee van hen aan de Admiraliteit te Rotterdam op 12 nov. uiteengezet en bevat de volgende punten. In de eerste plaats is het nodig de binnenwateren zowel te beveiligen tegen vijandelijke aanvallen als te versterken als uitvalsbases. De belangrijkste wateren zijn de Merwede, die in boven- en benedenloop toegang geeft tot alle provincies; de Dordtse Kil, die als ligplaats en doorvaart dienst doet voor alle schepen richting Zeeland en verder westwaarts en in omgekeerde richting; het Hollands Diep, een open waterweg tussen Holland, Zeeland en Brabant, boezem van de verdronken Grote Waard en verbonden met de andere rivieren. Door de continue aanwas en het opkomen van waarden ontstaan hier veel sluiproutes en doorgangen waarvandaan de vijand zijn dagelijkse tochten maakt. Mede hierdoor zijn lorrendraaierij en fraude met de licenten het gevolg.
Ondanks het belang van deze waterwegen zijn zij slechts schamel met oorlogsschepen bezet, waarvan de vijand in toenemende mate profiteert. Dit komt vooral doordat de oorlogsschepen niet geschikt zijn om de vijand te achtervolgen en de sloepen onvoldoende kunnen worden bemand. Daarnaast duurt het een half uur voordat de schepen onder zeil zijn en dan nog drijven zij stuurloos dwars op de stroom. Hierdoor kunnen zij zich slechts ophouden in de kanalen en diepten van de rivieren waar de vijand zich niet laat zien, aangezien die met sloepen vanuit kreken en langs de ondiepten opereert waar de oorlogsschepen niet kunnen komen. Bovendien doet de vijand dit vaak in zodanig weer dat de schepen door stilte geen zeil kunnen voeren. Zelfs in de winter kunnen de schepen niets ondernemen omdat zij in de mondingen van de sluipwegen niet kunnen navigeren.
In deze omstandigheden durft de vijand een nieuwe commissie te geven aan bijvoorbeeld kapitein Jean Pleuren, oud-drost van Heel. Hij moet alle uiterwaarden en rivieren onder contributie brengen en alles buit maken wat hij tegenkomt. De stropers die de aanvallen plegen, gebruiken steeds meer geweld teneinde met hun sloepen de vaart tussen Zeeland en de overige provincies en op de Merwede te ontregelen. Pleuren heeft zelfs speciaal toestemming om uit de nabijgelegen garnizoenen zoveel volk te lichten als hem dienstig lijkt. Zijn commissie betekent overigens niet dat die van kapitein Dirck de Leeuw alias Constapel, een van de oudste en vermaardste stropers die zich met zijn volk in 's- Hertogenbosch ophoudt, is komen te vervallen. Integendeel, deze is in toenemende mate dagelijks in de weer en heeft nu als last òf Pleuren te assisteren òf voor eigen eer te gaan. Nog onlangs is hij in eigen persoon met vijf sloepen in de Biesbosch verschenen om de uiterwaarden en visserij onder contributie te brengen om zo beter de doorgangen te kunnen bereiken waarvandaan zij hun aanvallen plegen. Hierdoor kunnen ze zelfs een bedreiging vormen voor de schepen die bij de monding en driesprong voor Dordrecht het tij afwachten. Dit geldt ook voor de monding van de Dordtse Kil, waar dagelijks hele vloten voor anker liggen, die zij buit zouden kunnen maken. Evenzeer kunnen zij van de gelegenheid gebruikmaken om de ponten, schipbruggen en equipages buiten Dordrecht - zoals reeds voor de huidige oorlog is gebeurd - in brand te steken. Zij zijn hiertoe nu des te beter in staat omdat de waarden, sluipwegen en plaatsen die zij onder contributie willen stellen niet ver weg liggen. Een andere wijze van beveiliging kan dit probleem oplossen en tegelijkertijd het frauderen met de licenten bestrijden.
Het nieuwe voorstel maakt een betere beveiliging van de rivieren mogelijk tegen weinig tot geen extra kosten. Daartoe moet het volgende te gebeuren: de redoutes op de Kloppenwaard, Werkendam, Oude Wiel, Hardinxveld en de Hooge Kil moeten elk met 25 man worden bezet, in totaal 125 man. Zij moeten gezamenlijk onder één kapitein dienen en bij elke redoute behoort een sloep te liggen. Van deze soldaten moeten er constant zes à zeven zich in een schuit in het midden van de monding van de Oude Wiel ophouden. Het oorlogsschip en de twee sloepen die tot nu toe voor de beveiliging in gebruik zijn, worden daarmee overbodig. De redoute van Bassekil dient te worden vergroot, met veertig man te worden bezet en te worden voorzien van twee sloepen die onder het bevel staan van een scheepskapitein aldaar. Hij zorgt voor het onderhoud aan boord. Het oorlogsschip en de sloep aldaar komen hiermee te vervallen. Hetzelfde geldt voor de kop van de Biesbosch. Daar dient een stenen redoute te worden gemaakt, geschikt voor vijftig man die worden voorzien van drie sloepen en onder bevel staan van een scheepskapitein. Op de Dordtse Kil dient een stenen redoute voor zeventien man te worden gemaakt, voorzien van een sloep. Deze redoute en die op kop van de Biesbosch dienen tevens over een lichte sloep te beschikken om schepen mee te inspecteren, ter voorkoming van fraude met de licenten. De manschappen dienen onder een kapitein die hen onderhoudt en zij mogen assistentie verlenen. Hiermee komen het oorlogsschip en de sloep aldaar te vervallen. Op het Wildeland moet een stenen redoute voor vijftig man komen, voorzien van drie sloepen onder bevel van een scheepskapitein die de manschappen onderhoudt. Zij mogen assistentie verlenen. Hiermee komen het oorlogsschip en de sloep aldaar te vervallen. Deze plek is het geschiktst als ligplaats voor de fregatten die tot konvooi dienen voor de schepen tussen Holland en Zeeland. Eveneens zou moeten worden overwogen de kop van de Biesbosch, die het centrum vormt van alle van wacht- en oorlogsschepen voor de Lage Zwaluwe, het Lorregat en Drimmelen, met zestig in plaats van vijftig man te bezetten. In geval van nood kunnen die met drie goed bemande sloepen bijstand verlenen.
De vier redoutes staan overdag met elkaar in oogcontact en bij donker door vuurbakens. Door de onderlinge nabijheid kan men, wanneer de vijand vanuit Breda of 's-Hertogenbosch de rivieren opvaart, hem met negen sloepen aanvallen. Als de vijand over de Oude Maas komt, tussen de Langstraat en het Land van Altena, of over andere sluipwegen, dan heeft men als rugdekking vijf sloepen tot zijn beschikking. In totaal zullen er dus veertien sloepen beschikbaar zijn. De kapitein heeft er nu slechts twee en durft daarom niet naar de vijand te roeien, wat hij met veertien sloepen onverschrokken zou doen. Met de vijf sloepen en de rugdekking zouden zelfs de voor de Zwaluwe, Lorregat en Drimmelen gelegen oorlogsschepen hulp kunnen geven. Het nieuwe plan voor de bezetting komt uit op 282 manschappen, daar waar het oude uitgaat van 268. Dit verschil van veertien man moet worden afgezet tegen het kapitaal dat de oorlogsschepen vertegenwoordigen en hun jaarlijks onderhoud, dat meer kost dan de aanleg van de nieuwe redoutes. Op elke sloep zouden echter wel twee stukken geschut en op een of twee van de redoutes één stuk geschut geplaatst moeten worden. De gedeputeerden van Dordrecht concluderen dat het ten zeerste nodig is de oude opzet van de beveiliging te vervangen door dit nieuwe plan. Ter aanmoediging zou het bootsvolk moeten worden toegestaan op de vijand veroverde buit zelf te houden. HHM en Z.Exc. zouden moeten vaststellen welk aandeel de manschappen toekomt uit achterhaalde smokkel en bedrog. Bij goed weer zou het bootsvolk verplicht moeten worden op de rivieren te kruisen en de sluipwegen te inspecteren.
HHM besluiten de Rotterdamse Admiraliteit en de stad Dordrecht op te dragen de punten uit het voorstel te implementeren. Zij krijgen gezamenlijk en ieder apart volmacht en speciaal bevel de bezetting goed te onderhouden, de soldaten precies op wacht te houden, deze te monsteren en verder alles in het werk te stellen dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel.

1 Geïnsereerd in S.G. 3186.