15/03/1627, 8

15/03/1627, 8

8 De Venetiaanse ambassadeur verzoekt een besluit te nemen in de kwestie van de schepen die door kapitein Moins zijn opgebracht. Hij wil geen tussenkomst van de Admiraliteit omdat het hier een zaak tussen twee republieken betreft en ook op dat niveau zou moeten worden afgedaan.
Noortwyck en Beaumont zullen hem de volgende akte overhandigen:
Ten aanzien van de door Moins opgebrachte goederen is besloten de Admiraliteit te Amsterdam te schrijven de kwestie conform de volgende richtlijnen af te doen: De goederen die in Lissabon zijn ingeladen voor Venetië door Portugezen of Nederlanders, die daar of elders onder heerschappij van de Spaanse koning wonen, zijn confiscabel omdat het hier een directe vijand van de Republiek betreft. Bij goederen die ten behoeve van Venetië door Fransen, Venetianen, Oosterlingen, Duitsers of andere neutralen voor eigen rekening zijn ingeladen, wordt een onderscheid gemaakt: zij worden verbeurdverklaard als de eigenaars in Lissabon of elders onder Spaanse heerschappij als onderdaan wonen, maar zijn niet confiscabel als hun verblijf aldaar tijdelijk is. Personen die één jaar in Spanje gewoond hebben, of binnen die tijd handelingen hebben verricht waardoor zij voor een onderdaan van de Spaanse koning kunnen worden gehouden, worden beschouwd als inwoners van dat land. De goederen die in Lissabon door Portugezen voor de helft voor eigen rekening en voor de andere helft op naam van neutrale of vrije gebieden worden ingeladen, zijn slechts voor het onvrije deel confiscabel. De goederen die zijn ingeladen door Fransen, Venetianen et cetera voor rekening van Portugezen die in Venetië wonen, dienen volgens het bovenstaande onderscheiden te worden: zij zijn vrij als ze toebehoren aan Portugezen die Venetiaans onderdaan zijn en confiscabel wanneer dat niet het geval is. Goederen die zijn ingeladen door neutrale personen voor rekening van Italianen wonend onder de heerschappij van de hertog van Toscane of de paus, mogen ook niet verbeurdverklaard worden. De goederen zullen volgens het weergegeven onderscheid worden toegekend aan de Venetianen bij wijze van eenmalige gunst, zonder vonnis [van de Admiraliteit].
Rode verklaart dat de instructie die de provincies aan de Admiraliteiten hebben gegeven en waarin hun de rechtspleging inzake buitgemaakte goederen is opgedragen, door deze resolutie, buiten medeweten van de provincies, buiten werking wordt gesteld. Hij kan zich hierin dan ook niet vinden, te meer daar de Admiraliteit te Amsterdam in haar brief gevraagd heeft de uitvoering van een in haar ogen gefundeerd vonnis niet te beletten. Hij verzoekt dit in het register aan te tekenen.