15/04/1627, 17

15/04/1627, 17

17 Noortwyck en Vosbergen rapporteren dat Caignoncle en Linschoten hun geschil aan hen hebben voorgelegd. De gecommitteerden hebben op 3 april een uitspraak gedaan, die door HHM is bekrachtigd. Het op 10 maart 1618 voor twintig jaar aan Caignoncle verleende octrooi wordt met evenveel jaren verlengd als de duur van het octrooi van Linschoten voor het maken van salpeter.
1 Tussen Jaques de Cajonkle en Willem van Lijnschoten en Matheus van Lijnschoten c.s. zijn geschillen ontstaan. Cajoncle beweert krachtens octrooibrieven van HHM van 10 maart 1618 het alleenrecht te hebben voor het maken van salpeter volgens zijn methode. Willem en Matheus van Lijnschoten beweren het tegendeel: Cajoncle heeft zich niet gehouden aan de voorwaarde binnen een bepaalde termijn een monster voor te leggen en heeft hierdoor het octrooi verspeeld. Het stond hun daarom vrij zelf octrooi aan te vragen, dat zij van HHM op 9 sept. 1624 voor 31 jaar hebben gekregen. De Staten van Holland hebben daarbij nog een aanhangsel gevoegd waarover Cajoncle niet beschikt. Hierover is door beide partijen bij het Hof van Holland proces gevoerd, waarop Linschoten c.s. zich met een rekest tot HHM hebben gewend. Door gecommitteerden uit hun midden zijn de partijen diverse oplossingen voorgehouden. Uiteindelijk zijn zij akkoord gegaan het geheel ter beoordeling van Noortwijck en Vosbergen over te laten.
De gecommitteerden bepalen dat Cajoncle zijn octrooi zal mogen gebruiken voor dezelfde periode als Lijnschoten c.s. Cajoncle krijgt tevens het effect van het aanhangsel dat voor hem echter, tegen betaling van 500 gld. door Lijnschoten c.s., in de provincie Holland slechts geldig zal zijn bezuiden de rivieren de Maas en IJssel, tenzij Lijnschoten c.s. hem voor de helft willen laten deelnemen in hun octrooi voor Holland. Dit staat hun vrij maar moet wel ter beoordeling aan de gecommitteerden worden voorgelegd. De gecommitteerden zullen tevens beslissen, indien Cajoncle niet wordt betaald, wanneer een van beide partijen over een van de overige (of alle) provincies eenzelfde aanhangsel krijgt of wanneer HHM het octrooi na afloop verlengen.

1 De uitspraak is door een klerk ingeschreven in S.G. 52 en gedateerd op 3 maart in plaats van 3 april.