14/02/1628, 6

14/02/1628, 6

6 HHM lezen het in navolging van de resolutie van 3 feb. opgestelde antwoord 1 op de proposities van Carleton van 20 en 29 januari.
HHM houden vast aan de neutraliteit tussen Engeland en Frankrijk. Zij hebben niets gedaan dat strijdig is met hun verklaringen. Bij alle gelegenheden hebben HHM de Spanjaarden te land en ter zee bestreden en zij zullen dit blijven doen conform de offensieve en defensieve alliantie met de Engelse koning. Enige tijd geleden hebben HHM nog hernieuwing van de oude plakkaten en ordonnanties besproken waaronder het verbod aan de inwoners van de Republiek in dienst te treden bij vreemde vorsten of voor hen oorlogsschepen en munitie uit te voeren.
Aangaande de klachten van de Engelse Oost-Indische Compagnie tegen de VOC melden HHM dat hun Compagnie ook heeft geklaagd over de Britse Compagnie. Haar klachten betroffen verschillende misdrijven en gewelddaden begaan door de Engelsen in samenwerking met de gezamenlijke vijand, over verzet tegen justitie en politie in gebieden waar de VOC het bewind voert en schending van het verdrag dat de Republiek indertijd met de overleden Engelse koning heeft gesloten. Daarnaast is onlangs in Engeland beslag gelegd op retourschepen van de VOC. Hoewel HHM graag de onenigheid tussen de Compagnieën willen laten onderzoeken, begrijpen zij niet waarom die schepen nog steeds worden vastgehouden.
In de zaak Amboina [Ambon] hebben HHM2 de gedelegeerde rechters eerst instructies gegeven behoorlijk recht te spreken. Regelmatig hebben zij Carleton op de hoogte gehouden van besluiten in deze zaak. Ook aangaande de klachten van de twee Compagnieën hebben HHM altijd getracht met Carleton of met andere afgevaardigden van zijn koning tot een vergelijk te komen. Maar door de voortduring van het scheepsarrest kunnen HHM niet met rede en zekerheid blijven onderhandelen. Volgens het verdrag met de koning en de overeenkomsten tussen beide Compagnieën mogen immers geen arresten gedaan worden. HHM verzoeken de koning daarom de schepen vrij te geven.
HHM begrijpen niet dat er niet meer schot in de zaak Amboina zit. De vertraging is opgelopen omdat de fiscaal na het nemen van informatie en de benoemingen van de gedelegeerde rechters niet is voortgegaan met zijn werk. HHM vinden de rechtsgang niet vreemd: de stijl van het verhoren en confronteren van getuigen is niet alleen in de Republiek gebruikelijk, maar is universeel en conform het volkenrecht. In criminele zaken waarbij het gaat over leven en goederen van de beschuldigden is het rechtvaardig en noodzakelijk dat de rechters goed geïnformeerd zijn. De aanklagers behoren zich te houden aan de manier van procederen van de locatie waar de beschuldigden zich bevinden. Het oproepen van getuigen is een essentieel onderdeel van de bewijslevering. De gedelegeerde rechters hebben in de zaak Amboina geprocedeerd zoals HHM gewend zijn in geschillen van groot belang. Ook in andere grote zaken tussen Nederlanders en machthebbers, vrienden of geallieerden van de Republiek, heeft men nooit veranderingen in de gebruikelijke procedures willen doorvoeren.
HHM blijven dus geheel vertrouwen op de ervaring en rechtschapenheid van de gedelegeerde rechters. De procesduur kan slechts bekort worden wanneer de fiscaal verder gaat met zijn werk. HHM hopen dat Carleton hetzelfde vertrouwen heeft dat recht gedaan zal worden zoals het eerlijke mensen betaamt in een land van oprechte justitie. Zij verzoeken hem over hun antwoord gunstig te berichten aan zijn koning en ervoor te zorgen dat hun extraordinaris ambassadeurs bij hem welkom zijn.
HHM keuren dit conceptantwoord goed en zullen de plakkaten hernieuwen tegen matrozen in dienst van vreemde heren en tegen uitvoer van ammunitie en oorlogsschepen. Eck en Schaffer zullen het antwoord aan Carleton overhandigen.

1 Het in het Frans gestelde antwoord is geïnsereerd in S.G. 3187 en gedrukt in: Aitzema, S. & O. kwarto II, 578-582/folio I, 755-757.
2 De zinsneden "op het verzoek van de heer ambassadeur [...] en met zijn medeweten" zijn doorgehaald.