17/02/1628, 6

17/02/1628, 6

6 Eck en Schaffer berichten op verzoek van Carleton bij hem thuis geweest zijn. In het antwoord van HHM van 14 feb. bespeurt hij enkele tegenbeschuldigingen die slechts Engelse daden uit het verleden oprakelen. Carleton vraagt HHM te beslissen of zij deze zaken in het antwoord vermeld willen laten.
Daarnaast beantwoordt Carleton twee punten in een memorie 1 . Ten eerste stelt hij dat de inbeslagname van drie uit Oost-Indië teruggekeerde schepen van de VOC niet in tegenspraak is met de alliantie tussen zijn koning en de Republiek. De koning heeft juist nauwkeurig zijn verdragen nageleefd. In juni 1626 zijn drie gelijksoortige schepen rijk beladen uit Oost-Indië teruggekomen en de haven van Plymouth binnengevaren. Z.M. is toen niet gezwicht voor de verzoeken van de Engelse Compagnie om deze schepen of ten minste de erop aanwezige voormalige rechters van Amboina [Ambon] te arresteren. Dit vanwege de termijn van achttien maanden die hij HHM heeft verleend om voldoening te geven inzake Amboina. Deze termijn was in maart 1627 afgelopen en de eerstgenoemde schepen zijn pas zes maanden daarna in beslag genomen, voordat er een besluit over Amboina was genomen. Het aan het laatste verdrag van de Engelse koning met HHM toegevoegde protest (waarvan Carleton een kopie 2 bijvoegt) bewijst dat de scheepsaanhoudingen niet met het verdrag in tegenspraak zijn. Het is opgesteld door de commissarissen van Z.M. en de ambassadeurs van de Republiek ( Aerssens, Joachimi en Burmania) en tegelijkertijd met de sluiting van het verdrag ondertekend. In zijn toenmalige kwaliteit als ordinaris ambassadeur heeft Carleton op 27 okt./6 nov. 1625 een kopie van het protest getoond in de vergadering van HHM, waar het in dank werd aanvaard door de president. Cats heeft als gezant aan Z.M. gevraagd om verlenging van de termijn, maar die stemde daarmee niet in. Carleton heeft dit standpunt op 14/24 juni 1627 al overgebracht in de Staten-Generaal.
Het tweede punt betreft het antwoord van HHM dat zij op verzoek van Carleton rechters hebben gedelegeerd inzake Amboina en met zijn medeweten en instemming de benodigde instructies en commissies hebben verleend. Carleton ontkent dit en beweert juist dikwijls de vertraging van de kwestie Amboina aan de orde te hebben gesteld. Omtrent vier maanden na zijn aankomst in de Republiek hebben de gedeputeerden hem op de hoogte gebracht van de resolutie van HHM met daarin de namen van hun rechters en de inhoud van hun commissie. Het staat HHM vrij om op hun manier te procederen en Carleton heeft slechts opdracht te berichten aan Engeland. Inzake Oost-Indië of Amboina kan hij zijn koning echter weinig tevreden stellen.
HHM stellen de bespreking van deze memorie uit. De heren van Holland nemen de tekst mee voor nader onderzoek.

1 De in het Frans gestelde memorie is geïnsereerd in S.G. 3187 en in vertaling gedrukt in: Aitzema, S. & O. kwarto II, 582-584/folio I, 757.
2 Het in het Frans gestelde protest is geïnsereerd in S.G. 3187 en gedrukt in: Res. Staten-Generaal. Nieuwe Reeks 1610-1670 VII resolutie 3525.