16/03/1628, 14

16/03/1628, 14

14 Maarschalk Spierinck compareert en verzoekt in een propositie opnieuw om de executie van de contributies in het Land van Gulik [Jülich] niet te doen.1
Uit het antwoord van HHM op de namens zijn vorst ingediende propositie begrijpt Spierinck dat zij vasthouden aan hun voorgenomen executie tegen zijn vorst en diens onderdanen. Zijn vorst is bericht dat daartoe al enkele Gulikse ingezetenen gevangengenomen zijn. Hij had dit niet verwacht en zal gefundeerde motieven geven tegen de onbillijke executie.
Aan het begin van zijn regering over het Gulikse vorstendom en na de door de keurvorst van Brandenburg veroorzaakte breuk heeft zijn vorst altijd goede nabuurschap met HHM en andere buren onderhouden. Bij de beëindiging van het Bestand hebben HHM niet alleen de neutraliteit toegestaan voor de door zijn vorst bezette gebieden, zoals Z.M. voor de gebieden van de keurvorst van Brandenburg, maar ook voor de Gulikse en Bergse landen en onderdanen. Dit tegen betaling van een aanzienlijk geldbedrag en verlening van de benodigde akten en mandaten aan de krijgsofficieren.
Zoals HHM zich zullen herinneren heeft Spierincks vorst met de gezant van de keurvorst van Brandenburg, graaf Adam van Schwarzenberg, in 1624 te Düsseldorf een akkoord gesloten waarmee de Gulikse opvolgingskwestie is afgehandeld. Beide kanten hebben dit bezegeld en ondertekend terwijl de keurvorst alle afspraken met zijn gevolmachtigde heeft geratificeerd. Na een gevaarlijke reis van zijn vorst naar Spanje heeft hij de koning laten verklaren tevreden te zijn met de in het verdrag genoemde plaatsen en de terugtrekking van soldaten uit het gehele land. Ook de koning van Frankrijk heeft het traktaat goed en heilzaam bevonden. De Engelse koning, de Brandenburgse keurvorst en HHM zijn schriftelijk verzocht dit voorbeeld te volgen, de gevangenen vrij te laten en alle vijandelijkheden te staken.
Uit het voorgaande blijkt dat zijn koning zich inzet voor een hereniging met de keurvorst van Brandenburg opdat de landen worden bevrijd van de oorlogslasten. Zijn vorst heeft de vorstendommen Gulik en Berg (waarop HHM nu financiële aanspraak maken) al die tijd in zijn bezit gehad en daar eenzijdige genieting van gehad, ook nadat het verdrag aangaande de executies van de contributies en domeinen tussen Brandenburg en HHM is gesloten. Het zou vreemd en ongerijmd zijn als HHM door hun onredelijke plan niet alleen de keurvorst van Brandenburg versterken en tegen hun beloften in hun soldaten laten gebruiken tot de uitvoering daarvan. De onderdanen hebben zich volgens rechten en verdragen nooit verplicht tot betaling van een schuld die zij aan de Brandenburgse keurvorst zouden hebben en zijn zich daarvan niet bewust.
Spierincks vorst of de zijnen hebben nooit een schatting op zich genomen. Het is dus onredelijk van zijn onschuldige landen en onderdanen door militaire executies tegen de neutraliteit en zonder enige reden een groot geldbedrag af te persen dat de keurvorst van Brandenburg schuldig is. Sinds de nieuwe contributies heeft de keurvorst reeds meer ontvangen dan het geld waarop HHM aanspraak maken. Bovendien is nooit sprake geweest van een gelijke verdeling aangezien het grootste gedeelte van de landen van zijn vorst bezet is geweest.
Zijn vorst vraagt niet alleen van de onbevoegde aanspraken verlost te worden en de gevangenen vrij te laten maar ook van alle verdere executies en vijandelijkheden tegen hem en de zijnen na te laten. Er bestaan immers ook juridische middelen in de oude verdragen wanneer HHM een rechtmatige vordering op zijn vorst menen te hebben.
Spierincks vorst wil echter geen billijke aanspraken weigeren of rechter over zichzelf zijn. Zo heeft hij besloten de kwestie aan de leenheren van de keizer over te laten. Wanneer zijn vorst of de stenden van de vorstendommen bevolen wordt het door HHM geëiste geld te betalen, zullen zij dat zonder tegenwerking doen. Acht de keizer het niet redelijk dat zijn vorst of diens onderdanen schulden van derden dan zijn ook HHM niet gerechtigd hen tot een vordering te verplichten.
Wanneer HHM hun aanspraken de facto in recht of onrecht voortzetten, dan zal zijn vorst zich beklagen bij de keizer en andere keurvorsten en vorsten dat hij zich als gehoorzame rijksvorst tegen dergelijke onredelijke tegemoetkomingen moet verdedigen. Ook zal hij de Franse koning vertellen hoe weinig er nog herinnert aan de door HHM bewerkstelligde goede eenheid tussen de Brandenburgse keurvorst en zijn vorst en hun beëindiging van alle vijandigheden.
Zijn vorst hoopt echter dat HHM het zo ver niet laten komen en dat de goede nabuurschap niet geschonden wordt door een ander besluit te nemen.
HHM zullen de propositie nader onderzoeken.

1 De propositie is geïnsereerd in S.G. 3187.