24/03/1628, 6

24/03/1628, 6

6 HHM bespreken de op 18 maart door de heren van Holland ingebrachte memorie van de met Z.Exc. besproken punten tot betere defensie en beveiliging van de oorlog ter zee en onderhoud van de Admiraliteiten.1
Omdat de voor de Admiraliteiten geconsenteerde subsidies niet worden voldaan binnen de daarvoor gestelde termijn ontstaat dagelijks groot ongemak. Daarom stellen de gecommitteerden voor naar quote te repartiƫren over de provincies:
De benodigde soldij en proviand voor uitrusting van 35 oorlogsschepen, vijf jachten en vijf fregatten bestemd voor de kust van Vlaanderen en de bewaking van Het Kanaal en de Noordzee; het benodigde bootsvolk en de proviand voor de hun bijgevoegde dertig musketiers per schip.
De Admiraliteitscolleges blijven de equipage van de schepen, jachten en fregatten; de voorziening van scheepsbenodigdheden en ammunitie, en de monstering of berechting van het volk verzorgen zoals tot nog toe is geschied. Slechts de betaling van soldij en proviand voor de bootsgezellen en de musketiers op de rollen en ordonnanties van de Admiraliteiten moeten maandelijks door de provincies worden voldaan. Zo weet iedere kapitein waar zijn betaling vandaan komt. Hij mag door het land betaalde personen het geld laten invorderen zodat hij telkens alle middelen heeft om zijn levensmiddelen naar Vlissingen of elders waar het gelast wordt te laten komen.
Gewoonlijk betaalt men de proviand alleen aan de kapitein en de soldij voor officieren en matrozen apart aan henzelf. Het land zou de personen die voor de kapiteins het geld invorderen kunnen dwingen de betaling maandelijks rond te krijgen zodat deze precies voor de binnenkomst van de schepen in de residentieplaats van het College is. Vervolgens kunnen dezelfde personen (als men hen daartoe wil machtigen) of de gedeputeerden van de betalende provincie het College bijstaan en ten overstaan van de andere raden de proviand aan de kapitein en de soldij voor de officieren en matrozen per persoon uitkeren. Van deze betaling moet zowel aan de provincie als aan het College rekening worden gedaan.
De consenten ter ondersteuning van de Admiraliteiten van de provincies boven de proviand en soldij zal onder de Colleges worden verdeeld. Dit gebeurt naar verhouding van hun kosten en equipage en na aftrek van hun inkomsten in dat jaar. Om de inkomsten jaarlijks te kunnen achterhalen moeten de Admiraliteitscolleges HHM elk kwartaal een nauwkeurig en eerlijk overzicht opsturen van hun inkomsten over die periode uit konvooien, licenten, confiscaties, boeten of anderszins. Daarbij mogen zij geen inkomsten verzwijgen.
De provincies moeten aannemen ieder de helft van hun door de RvS vastgestelde defecten inzake de Admiraliteiten van 1622 tot 1627 contant te betalen aan de ontvanger-generaal zodat deze aan de Admiraliteiten kunnen worden uitgekeerd. De andere helft moet binnen twee keer zes maanden worden voldaan.
Daarnaast moeten de provincies naar hun quoten alle verdere renteloze schulden van de Admiraliteitscolleges, ongeveer 2.500.000 gld., binnen door de Generaliteit vast te stellen termijnen betalen. Vrij van schuld kunnen de Colleges beter aandacht besteden aan de beveiliging van de zee.
HHM zouden zich buitengewoon moeten inspannen de provincies de verzochte subsidies en wat verder nodig zal zijn voor de Admiraliteiten te laten betalen.
HHM nemen de repartitie van de 35 schepen, vijf jachten en vijf fregatten aan. Om tevens de lopende en renteloze schulden van de Admiraliteit te betalen nemen zij ook het voorstel daarover aan.
HHM sturen deze memorie aan de provincies met de door commies Verhaer op te stellen repartitie. Daarbij verzoeken zij deze onmiddellijk aan te nemen en de betaling vanaf 1 jan. te doen aan de scheepskapiteins en matrozen. Ook moeten de provincies hun consent dragen in de betaling van de lopende schulden zodat de Colleges de oorlog te water beter kunnen voeren.

1 De memorie is door een klerk ingeschreven in S.G. 53.