17/04/1628, 2

17/04/1628, 2

2 Krachtens de van de koninklijke Denemarkse raden en krijgscommissarissen ontvangen geloofsbrief d.d. Hamburg 11 maart compareert Martin van der Meden, krijgsraad en bisschoppelijk Verdense kanselier, en doet hij een propositie.1
I Van der Meden is gelast HHM te informeren over het gevaar van de plaatsen [langs de Elbe], gezien het belang van de Republiek daarbij. De vestingen Krempe en Glückstadt zijn door watervloeden ernstig beschadigd en de bolwerken zijn ingestort. Er is groot herstel nodig, maar tot nog toe heeft men niets kunnen herstellen. Evenmin heeft men het onnodige volk en de overgebleven paarden uit de vestingen kunnen weghalen, de verzwakte compagnieën kunnen inlijven, de fortificatie kunnen repareren of andere nodige zaken voortzetten. Dit alles is veroorzaakt doordat de subsidies achterwege zijn gebleven of te laat zijn gekomen, ondanks veel verzoeken van Z.M. Indien de ondersteuning nog langer uitblijft, kunnen alle vestingen en de Elbe in handen komen van de vijand en tot schade en verderf van Denemarken, HHM en anderen. Zelfs de gehele evangelische christenheid zal verloren zijn. Aangezien de vijand de ondergang van de Republiek als belangrijkste oogmerk heeft, moeten HHM bedenken wat een onherstelbaar en belangrijk verlies dat zou zijn. Om dit gevaar te voorkomen, is er geen ander middel dan het subsidiegeld van HHM. De commissarissen en krijgsraden hebben daarop vaak gewezen omdat Z.M. voor de uitrusting van zijn leger en vloot hoge onkosten maakt. Zij proberen met man en macht de vestingen te voorzien. Zo hebben zij tegen hoge kosten proviand in Krempe gebracht, zodat de stad - als deze van Glückstadt zou worden afgesneden - toch stand tegen de vijand zou houden. Het geld per wissel van HHM is reeds tevoren verbruikt, dus vraagt Van der Mede namens de commissarissen en krijgsraden het subsidie tot in februari bijeen te brengen en te betalen. De restanten van twee maanden à 40.000 rijksdaalder, of 100.000 gld., dienen zo spoedig mogelijk betaald te worden anders is dat levensgevaarlijk aangezien de vijand beide vestingen nadert. Van der Meden wil zelf naar Amsterdam gaan om te zorgen dat de 40.000 rijksdaalder wordt overgemaakt.
II Aangezien de vestingen in de toekomst zondere extra subsidie niet bewaard kunnen blijven, vragen de commissarissen en krijgsraden HHM ook het geld vanaf 1 april te laten afrekenen. Zij moeten daartoe kooplieden opdracht geven het geld over te maken.
III Om HHM minder te bezwaren, heeft Z.M. gelast dat hun in Hamburg aanwezige resident, Voppius van Aissema - die voor zijn kwaliteiten onlangs nog een koninklijke getuigenis heeft gekregen - de krijgsraad en het beheer van het subsidiegeld mag bijwonen. Zonder toestemming van Aissema en de gehele krijgsraad mag er, behalve in het algemeen belang, niets worden uitgegeven.
HHM verzoeken de tot bespreking met de heer Gunter aangestelde heren tevens met kanselier Van der Meden te spreken.

1 De in het Duits gestelde propositie is geïnsereerd in S.G. 3187 en in vertaling gedrukt in: Aitzema, S. & O. kwarto II, 647-650/folio I, 784-785.