13/06/1628, 5

13/06/1628, 5

5 De binnengekomen Maximiliaen, vrijheer van Batenburch, en dr. Maerten Vermeer dienen een remonstrantie in.1
Op last van de Staten en het Hof van Gelderland heeft de momber de remonstrant voor het Hof gedaagd met het doel hem zijn recht van appèl, hetgeen die van Batenburg en de bijbehorende dorpen gewoonlijk bij de Batenburgse leenmannen aan de [kasteel]brug hadden, en zijn recht van superioriteit over Batenburg te laten aantonen. Anders zou hij deze rechten moeten opgeven en laten toekomen aan een onder het ambt van Maas en Waal gelegen en gehorig gerecht genaamd Bergharen. De remonstrant heeft hiertegen aangevoerd als gehoorzaam aan het Duitse Rijk in plaats van aan Gelderland niet aan de rechtspraak van het Gelderse Hof te zijn onderworpen. Daarom wil hij de zaak door een onpartijdige partij zoals Z.Exc. en HHM, de keizer en zijn raad of andere machthebbers laten beslissen. Het Hof heeft hierop echter geen acht geslagen en de zaak voortgezet tot een vonnis. In 1624 heeft de remonstrant bij HHM en Z.Exc. een rekest en remonstrantie ingediend om het Hof de rechtspraak in deze zaak te ontzeggen en deze aan HHM te delegeren. Tevens hebben de Gelderse heren het door zijn vorsten gestichte klooster Holtmeer met de bijbehorende goederen van de remonstrant afgenomen en onder contributie gesteld. Hij heeft daartoe rechters van HHM verzocht voor wie hij de Gelderse heren kon laten komen om de zaak af te handelen. Deze remonstrantie volgt uitgebreider in bijvoegsel A.
Hierop hebben HHM en Z.Exc. de naar de Gelderse Landdag te Zutphen afgevaardigde Beveren en Schaffert het verzoek van de remonstrant laten indienen bij de Gelderse Landschap en het Hof. Deze moesten daarop antwoorden en een geschikte oplossing geven, terwijl de situatie intussen onveranderd zou blijven. De commissarissen hebben dit gedaan, zoals blijkt uit de aantekeningen daarvan onder B.
Desondanks hebben de heren van Landschap en Hof zich hieraan niet gehouden, maar de zaak op 21 april voortgezet en in hun vonnis de genoemde exceptie van incompetentie en wraking verworpen. Daarmee zou het appèl van Batenburg blijven bestaan maar zou de remonstrant zijn recht op hoger beroep van de bijbehorende dorpen Horssen en Leur [Etten-Leur] niet voldoende hebben bewezen. Dientengevolge worden de sinds maart 1618 lopende en toekomstige appèlzaken voorgelegd aan het ordinaris hoofdgerecht van Maas en Waal te Bergharen met een vergoeding van alle kosten, zoals uitgebreider is gesteld in bijvoegsel C.
Hierdoor is de remonstrant beroofd van het recht van superioriteit van de heerlijkheid Batenburg ten aanzien van daaraan verbonden dorpen. Deze dorpen behoren echter vanaf het begin onder de investituur van Batenburg en zijn als een rijksleen en stende in het bezit geweest van hem en eerdere heren van Batenburg, ook voordat de graven, vorsten en het Hof van Gelderland zijn gekomen. Het appèlrecht van deze dorpen lag bij Batenburg, zoals de genoemde remonstrantie aantoont.
Op 19 en 24 april heeft de remonstrant het Hof geschreven vanwege de krachtens HHM door Beveren en Schaffert in het werk gestelde procedures het vonnis nietig te verklaren. Deze brief is onder bijvoegsel D te vinden.
Op 6 mei hebben de heren van de Landschap conform advies van het Hof de momber gelast inzake ongehoorzaamheid wegens de protestatie het recht van de Landschap tegen de remonstrant te handhaven. Dit blijkt ook uit het op 7 mei genomen besluit van de Landschap, te vinden onder bijvoegsel C.
Op 12 mei heeft de Landschap gelast dat de remonstrant het klooster Holtmeer en bijbehorende goederen niet meer zou terugkrijgen. Het beheer hiervan zou in handen blijven van de Gedeputeerde Staten van het Kwartier Nijmegen die tevens alle andere tot het kapittel van Batenburg behorende goederen (waarvan het beheer tot nog toe aan de remonstrant is toegekomen) zouden beheren. Dit besluit is uitgebreider te vinden onder bijvoegsel F.
Uit alles blijkt volgens de remonstrant dat de heren van Gelderland hem als heer van Batenburg, de keizer en het Duitse Rijk ernstig hebben geschaad. Zij hebben zijn heerlijkheid, een baronie en rijksstende, tegen de rijkswetten in de facto onderworpen aan hun vorstendom. Het is algemeen bekend dat rijksvorsten geen andere rijksstende, hetzij graaf of baron, onder zich mogen stellen of recht van superioriteit over hem mogen gebruiken. Het gaat HHM bijzonder aan dat vreemde onderdanen, met name tot het Duitse Rijk en direct onder de keizer behorende onderdanen, niet door de provincies of kwartieren in hun recht mogen worden aangetast, conform het zestiende en zeventiende artikel van de Unie. De remonstrant zal zich in het uiterste geval ook bij de keizer en diens raad beklagen. Aangezien de genoemde vonissen en besluiten ook aanslagen zijn tegen de door de remonstrant voor HHM gebrachte en de door de afgevaardigden Beveren en Schaffert aan de Gelderse heren aangezegde procedures, verzoekt hij HHM het Hof en de heren van Gelderland de vonissen en besluiten voorlopig te laten opschorten. Voor hun rechters zou de remonstrant dan de herroeping of nietigheid daarvan kunnen aanvoeren. Tevens kunnen deze tot teruggave van de kloostergoederen en afschaffing van de contributie besluiten, conform het in 1624 door de remonstrant gedane verzoek. Dit opdat hij de zaak anders in handen van het Duitse Rijk zou moeten stellen, waartoe hij bij eed verplicht is.
HHM geven de remonstrantie met alle bijlagen voor onderzoek aan Willem van Beveren en Schaffer.

1 De remonstrantie is geïnsereerd in S.G. 3187.