24/06/1628, 17

24/06/1628, 17

17 Nieustadt, raad ter Admiraliteit te Rotterdam, compareert en dient het rapport1 in over de door hem en raad Van Eck gehouden besprekingen naar aanleiding van de resolutie van 6 juni.
Pauwels van der Nieustadt en Arent van Eck zijn conform de genoemde resolutie aangesteld de kapiteins en matrozen van vier op de Waal patrouillerende oorlogsschepen te betalen en vervolgens met hulp van de afgevaardigden van de RvS de op 1 mei genomen resolutie van de Raad en het Admiraliteitscollege uit te voeren. Daartoe moeten zij het volk van de schepen overbrengen naar de voor de beveiliging van de Waal gemaakte redoutes. Nieustadt en Van Eck zijn hiertoe naar Nijmegen gereisd en vandaar naar het voor Kekerdom gelegen oorlogsschip. Na het nemen van informatie hebben zij het volgende ondervonden:
De redoute te Kekerdom is bezet door negen of tien soldaten en heel klein van omvang. Er kunnen geen voorzieningen worden getroffen om bederf van proviand te voorkomen. Verder ligt de redoute erg ongelegen om de sloepen in veiligheid te houden. Aangezien de aangrenzende kil tot in de Waal droog staat en nog dagelijks verder verzandt, ligt de sloep momenteel te ver van de redoute om bij een noodsituatie van dienst te zijn.
Redoute De Vogelesanck, stroomafwaarts gelegen op ongeveer twee musketschoten afstand, is hetzelfde bemand en in eenzelfde staat als de bovengenoemde. De redoute ligt dicht tegen de Waaloever aan, terwijl de rivier daar diep genoeg is om veilig sloepen te kunnen leggen. Deze situatie is onderzocht door de eveneens aanwezige ambtman van Nederbetuwe, afgevaardigde van de RvS. Hij stelt voor de redoute van Kekerdom gereed te maken en te bezetten met de soldaten en de op De Vogelsanck aanwezige matrozen.
De overige redoutes vanaf de Lotwaard bij Oosterhout onder Nijmegen tot en met één van de twee boven Tiel gelegen redoutes zijn allemaal in dezelfde vorm gebouwd.
Na de troepen van kapitein jonkheer Brienen te hebben betaald, vonden de raden 21 man geschikt om op de redoutes te dienen, onder wie de kapitein en luitenant. Hierdoor heeft hij twaalf man nodig. Deze zijn hier niet te vinden dus zullen in de steden in het zuiden moeten worden aangenomen.
Het volk van de eveneens betaalde kapitein Aelbert van Velsen bestaat uit 21 man en deze kunnen op de redoutes worden gebruikt. Ter aanvulling moeten er nog zeven mannen worden aangenomen.
Aangaande het scheepsvolk van kapitein Broer Jaep en de schipper Henrick Coenen de Gruys kan nog niets worden vastgesteld, aangezien de raden hun schepen niet hebben bezocht. Wel hebben de raden vernomen dat zij vrezen dat een groot aantal mannen zal afvallen omdat zij ongeschikt zijn of omdat het tegen de regel is hen in dienst te houden.
Verder hebben de raden gehoord van de door kapitein Brienen geopperde moeilijkheid inzake de levensmiddelen voor het volk op de redoute te Kekerdom, gelegen op ongeveer vijf uur afstand stroomopwaarts van Slijk-Ewijk. Daar is hij bevolen te verblijven. De raden stellen voor het volk van redoute De Vogelsanck na het gereedmaken hiervan onder de luitenant van kapitein Brienen te plaatsen. Tevens zal hij de kost van de voor deze redoute bestemde matrozen verzorgen.
Wanneer alles conform de genomen en nog te nemen resolutie zou gebeuren, zou het op de redoutes te leggen volk twee derde delen vuurroers en een derde deel springstokken moeten krijgen in plaats van de momenteel op schepen gebruikte en op de sloepen totaal ongeschikte musketten. Anders zouden de sloepen en het volk geen dienst kunnen doen.
HHM geven het rapport aan de RvS om het met de raden van de Admiraliteit te Rotterdam te bespreken.

1 Het rapport is geïnsereerd in S.G. 3187.