19/07/1628, 16

19/07/1628, 16

16 HHM ontvangen een credentie van de Kleefse regering d.d. Emmerik 14 juli voor Johan Diertfhene van der Aer, krachtens welke deze een propositie doet.1
De keurvorst van Brandenburg heeft op 13 mei uit Koningsbergen [Kaliningrad] aan de regering te Emmerik [Emmerich] bericht over de moeilijke toestand van zijn zaken vanwege talloze klachten van de Gulik [Jülich]se en Bergse ridderschap en steden en de Kleefse clerus aan het keizerlijk hof. Hij heeft daarin de noodzakelijke oplossingen voor deze problemen genoemd. Van der Aer moet deze doorgeven aan HHM.
Door de bij het keizerlijk hof ingediende klachten van de standen in het Land van Gulik en Berg, de Kleefse clerus en de paltsgraaf van Neuburg heeft de keizer verschillende mandaten tegen de keurvorst en zijn regering uitgevaardigd. Enkele mandaten zouden moeten uitlopen op rechtsvervolging door de keizer of de keizerlijke ban. De processen worden zo ver doorgevoerd, dat de keurvorst weinig recht krijgt. Dit is ook gevaarlijk voor de Gulikse en zijn andere landen.
Om dit gevaar te voorkomen heeft de keurvorst een extraordinaris ambassadeur naar de keizer gezonden en deze laten verzoeken om de processen te beëindigen.
Verder probeert de keurvorst tot een overeenkomst met de paltsgraaf van Neuburg te komen.
Ter bevordering van deze oplossingen heeft de keurvorst bevolen de executie in de Neuburgse landen en tegen de clerus voorlopig tot nader bevel op te schorten. Hierdoor moeten de klachten bij het keizerlijk hof enigszins afnemen en moet de verhouding met de paltsgraaf verbeteren.
De keurvorst vraagt HHM om ook hun plannen voor de executie van de contributies door Van Gent en diens dienaar Jan Retzer terug te draaien. Deze plannen zijn niet alleen in strijd met de bevelen van de keurvorst maar zouden ook kunnen leiden tot opstand van alle landstanden, het verlies van de neutraliteit van de Kleefse landen en veel andere moeilijkheden.
HHM moeten het hiermee wel eens zijn. Zij hebben op verzoek van de paltsgraaf immers reeds eerder besloten de executies in het Land van Gulik en het Land van Berg gedeeltelijk te verbieden en uit te stellen.

1 De propositie is geïnsereerd in S.G. 3187 en gedrukt in: Aitzema, S. & O. kwarto II, 670-671/folio I, 793-794.