27/07/1628, 16

27/07/1628, 16

16 In aanwezigheid van Z.Exc. en de RvS onderzoeken HHM de gisteren ingediende verklaring1 van de secretaris van Emden.
Tenminste sinds een half jaar zien de afgevaardigden van HHM in Emden erop toe dat deze stad en de Eems afgesloten blijven voor keizerlijke soldaten, opdat deze door tekorten uiteindelijk worden verdreven. Die van Emden zijn HHM hiervoor dankbaar, maar het afsluiten van Emden en de Eems werkt niet naar behoren. HHM moeten de situatie van de keizerlijke troepen en van geheel Oost-Friesland in aanmerking nemen. In het Duitse Rijk, of de belangrijkste onderdelen daarvan zoals Westfalen en het graafschap Oldenburg, en uit Hamburg, Bremen en elders kunnen de soldaten behoorlijke hoeveelheden munitie en levensmiddelen halen. Op het platteland en in de grenssteden is er zelfs meer verkrijgbaar dan in Emden. Zoals kooplieden uit Oost-Friesland en uit bijna alle andere plaatsen dagelijks bemerken is het onmogelijk de sluikhandel door algemene besluiten of bevelen tegen te houden. Hierdoor is het afsluiten van Emden van weinig nut, behalve aangaande enigszins afgelegen plaatsen. In de stad heeft de afsluiting slechts tot grote duurte en bezorgdheid geleid, aangezien een grote groep vreemdelingen, soldaten en burgers zonder de gewoonlijke commercie geen inkomen meer heeft en eenvoudig kan worden aangezet tot muiterij. Afgezien van de afsluiting is er weinig rogge in de stad voorradig. Ook de soldaten van Mansfeld zouden niet zijn verdreven door het afsluiten van Emden als Westfalen en andere gebieden nog toegankelijk zouden zijn gebleven.
De secretaris vraagt HHM hun oorlogsschepen terug te roepen, omdat hun aanwezigheid veel problemen oplevert maar nooit de keizerlijke troepen uit het land zal verdrijven. Zijn lastgevers zijn er van overtuigd dat HHM hen in ieder geval vrij laten handeldrijven over de Eems met Münster en andere Westfaalse gebieden, aangezien daar geen keizerlijke troepen gelegerd zijn.
HHM stellen een besluit hierover uit totdat hun afgevaardigden in Emden conform hun laatste schrijven naar 's- Gravenhage zijn gekomen. Desondanks zullen de eerder door de Admiraliteitscolleges voor bewaking van de Eems gestuurde grote oorlogsschepen worden teruggeroepen. De heren van Holland schorten een besluit hierover echter op om dit met hun lastgevers te bespreken. HHM stemmen hiermee in.

1 De verklaring is geïnsereerd in S.G. 3187 en gedrukt in: Aitzema, S. & O. kwarto II, 439-440/folio I, 690-691.