29/07/1628, 17

29/07/1628, 17

17 Pallen Rosecrants compareert en zegt een gunstig antwoord te hebben verwacht op zijn op 20 juli ingediend voorstel. Vervolgens levert hij zijn verweer in.1
De koning van Denemarken vraagt HHM de inhoud van het bondgenootschap in overweging te nemen, met name het achtste en negende artikel:
Indien één van de bondgenoten voortaan direct of indirect te water of te land wordt lastiggevallen, verstoord of onderdrukt in zijn rijken, landen, provincies of steden, moeten de anderen hem met zoveel macht en soldaten bijstaan als bij de alliantie is beloofd, of zoveel zij kunnen aanbieden, om hem van overrompeling te verlossen.
Al deze beloften en akkoorden gelden ook ten aanzien van de koning van Denemarken. Er moet toereikende bijstand aan hem worden verleend.
Uit deze artikelen blijkt duidelijk dat HHM vanwege de alliantie Z.M. zowel moeten helpen als hij in zijn eigen land in oorlog is als wanneer dit in Duitsland gebeurt. Z.M. is immers vanwege dezelfde alliantie - gemaakt ter verdediging tegen Duitsland - aangevallen in zijn eigen rijk. Ook is in de alliantie niet alleen sprake van gewone subsidie, maar tevens van "zoveel mogelijk" en "toereikende" hulp. Een secours van enkele duizenden soldaten ligt niet buiten de macht van HHM, maar is eenvoudig te doen. Zijzelf geven immers aan extraordinaris tienduizend man te hebben gelicht. Deze troepen hebben zij niet nodig aangezien zij niet worden aangevallen. Als de Republiek de troepen nodig zou hebben, hetgeen dit jaar niet schijnt te gebeuren, kunnen deze spoedig weer beschikbaar zijn. De weg tussen de Elbe en Friesland is immers niet lang. Bovendien heeft de Republiek onlangs nog veel meer bijstand in verder gelegen plaatsen van zijn rijk aangeboden, waar dit niet bijzonder nodig was. Daar zouden de troepen de Republiek niet meer kosten dan hier. Door deze bijstand aan zijn koning te sturen, zouden de nu langs deze grenzen liggende keizerlijke troepen zich vermoedelijk moeten terugtrekken. Ook zouden Glückstadt en dientengevolge de scheepvaart op de Elbe door de hulp zijn verzekerd, hetgeen voordelig voor het algemeen belang en voor deze staat in het bijzonder zou zijn.
Wil men de neutraliteit met de keizer hiertegen in brengen, dan moet men weten dat de keizer kwaad en afbreuk aan de Republiek wil doen, zoals onder meer is gebleken bij de overwinning op Breda. Bovendien zal de neutraliteit niet worden geschonden als de soldaten in eed en dienst van Z.M. zouden zijn, waartoe Rosecrants diens commissies bij zich heeft. Het is ook toegestaan secours aan bondgenoten te sturen zonder de neutraliteit te schenden, zoals de Republiek eerder onder meer heeft gedaan aan die van de [Protestantse] Unie.
HHM moeten inzake het secours tevens beseffen dat de koning een deel van zijn leger voor het behoud van Stralsund heeft ingezet, hoewel niets hem daartoe heeft verplicht. Hierbij had de Republiek groot belang, aangezien de handel en scheepvaart op Danzig [Gdansk] zouden zijn belemmerd als Stralsund in handen van de vijand zou zijn gevallen.
HHM weigeren de oude Engelse troepen te ruilen tegen de uit Stade gekomen nieuwe soldaten. Volgens Rosencrants zijn dit eveneens oude soldaten, die reeds hier en elders hebben gediend. De onlangs door HHM gelichte tienduizend soldaten zijn immers nieuw geworven volk. De andere door de koning van Engeland aan Denemarken beloofde troepen had zijn koning elders vandaan gehaald ter vervanging van de naar Stralsund gezonden troepen.
Rosencrants verzoekt HHM zo spoedig mogelijk de door hen beloofde oorlogsschepen te sturen. Anders zijn zij te laat, aangezien de zomer bijna voorbij is.
Het antwoord van HHM op het zesde punt, hun subsidie aan te wenden voor bewaking van de plaatsen langs de Elbe, was eigenlijk niet verzocht. Niettemin is Z.M. ervan overtuigd dat HHM de resterende assignaties conform het voorstel zullen betalen. HHM zouden de koning de beschikking over deze noodzakelijke subsidies immers niet willen ontnemen. De maandelijkse subsidie is onvoldoende voor de plaatsen langs de Elbe en er is een aanzienlijk bedrag over van eerdere maanden waarvan de assignaties kunnen worden betaald.
Rosencrants herinnert HHM aan het grote gebrek aan buskruit, zowel in Denemarken zelf als in Stralsund, en vraagt hun hierin te voorzien.
Ten slotte vraagt de ambassadeur of HHM hun belofte willen inlossen en de Nederlanders te waarschuwen niet te handelen op plaatsen waar de vijanden van zijn koning zich bevinden.
Rosecrants verzoekt HHM om hun nader besluit hierover te geven aan secretaris Gunter of een nieuwe zaakwaarnemer van zijn koning, aangezien hijzelf naar Engeland vertrekt. Hij bedankt HHM voor het geschenk en neemt afscheid.
HHM wensen Rosecrants een goede reis.

1 Het in het Frans en Latijn gestelde verweer is geïnsereerd in S.G. 3187 en gedrukt in: Aitzema, S. & O. folio I, 788-789.