05/09/1628, 10

05/09/1628, 10

10 De afgevaardigden van de Admiraliteit te Rotterdam compareren en doen enkele voorstellen.
I Enkele dagen geleden zijn in Rotterdam enkele Fransen met een door hen op de Engelsen veroverd schip van zee opgebracht. Het grootste deel van de bemanning en het schip waren naar Zeeland opgestuurd. Naderhand heeft een buiskonvooier in dienst van de Grote Visserij een Frans schip van ongeveer 35 last met zeventig bemanningsleden op zee veroverd omdat dit haring van de buizen zou hebben gestolen. Na onderzoek bleken de eerstgenoemde Fransen onschuldig te zijn: zij hebben geen Nederlandse schepen beschadigd. De andere Fransen zeiden slechts acht tonnen haring van de buizen te hebben gekregen. Zij zouden deze betalen en hadden de haring aan boord genomen, maar de stuurlui wilden de betaling niet aannemen. De Fransen stelden voor in Rotterdam een toereikende borg te stellen voor alle eventueel door hen aan Nederlandse schepen toegebrachte schade.
HHM laten de in het Engelse scheepje opgebrachte Fransen zonder meer vrijlaten, evenals de andere Fransen. Zij moeten dan wel borg stellen opdat zij de eventuele aan dit land toegebrachte schade zullen vergoeden.
II De raden hebben de van het door het eskader van vice-admiraal Lieffhebber veroverde schip van kapitein Michiel Romboutsz. afkomstige gevangenen uit Oostende gehoord en onder hen geen overlopers gevonden. De gevangenen beweerden geen lijfstraffen te mogen krijgen, omdat hun op zee genade was beloofd voordat zij zich hadden overgegeven. De raden vragen HHM om hierover hun mening te geven.
HHM willen dat de raden hierover schriftelijk hun advies opstellen.
III De raden verzoeken betaling van 42.000 gld. boven de door Holland opgebrachte 58.000 gld. opdat de beloofde 100.000 gd. voor de soldij van de kapiteins en matrozen op de binnenvaart geheel wordt voldaan.
HHM verzoeken de in gebreke gebleven provincies hun bijdragen te betalen, opdat de matrozen niet zullen muiten.