24/03/1629, 8

24/03/1629, 8

8 Naar aanleiding van de door de gedeputeerden van Holland meegedeelde moeilijkheden op de Oostzee besluiten HHM de Admiraliteiten te schrijven te verhinderen dat er schepen daarheen varen die niet uitgerust zijn zoals vastgelegd in het plakkaat op de uitrusting en de bemanning. De schepen moeten bovendien in admiraalschappen varen en vergezeld zijn van vijf of zes goede konvooischepen, die tot Danzig [Gdansk] of Koningsbergen [Kaliningrad] meevaren. Indien het konvooi niet sterk genoeg is moeten zij de schepen tot 1 mei in de Republiek houden. Carel van Cracou, commissaris in de Sont, wordt schriftelijk opgedragen geen schepen uit de Republiek of schepen op doorreis door te laten totdat de schepen die in de andere richting varen in de Sont zijn aangekomen. Op die manier kunnen ze het veiligst varen als de oorlogsschepen van Zweden en Denemarken op zee zijn.