02/04/1629, 2

02/04/1629, 2

2 Adam, graaf zu Schwarzenberg compareert en zet krachtens de geloofsbrieven van de keurvorst van Brandenburg d.d. 29 okt./8 nov. 1628 de propositie uiteen, die hij vervolgens schriftelijk inlevert.1 Tevens bezorgt hij HHM het voorlopig akkoord tussen de hertog van Palts-Neuburg en de keurvorst aangaande het bestuur en het genot van de hertogdommen Gulik [Jülich], Kleef en Berg en de daarvan afhankelijke graafschappen, heerlijkheden en andere lenen.2 Het akkoord geldt voor een periode van 25 jaar. De propositie luidt:
Het succes van de keurvorst van Brandenburg in de zaken van Gulik en Kleef is HHM bekend, aangezien hij daarin steeds met hun advies te werk is gegaan. De keurvorst heeft vanaf het begin steeds de raad gekregen van zijn vrienden en geallieerden, met name de koning van Frankrijk en die van Groot-Brittannië, de protestantse keurvorsten en standen van het Duitse Rijk en de Republiek, om met de paltsgraaf van Neuburg tot een vergelijk te komen. Daarop zijn verschillende conferenties en traktaten gevolgd, in het bijzonder het belangrijke traktaat van Xanten uit 1614.
De keurvorst nam de goede raad van zijn vrienden en bondgenoten steeds ter harte en had de vreedzame relaties graag langer zien duren, ware het niet dat zijn rivaal dit onmogelijk gemaakt had.
Sinds het eindigen van het Bestand tussen de Republiek en de koning van Spanje in 1621, is de keurvorst door de Spanjaarden en hun bondgenoten bijna volledig uit zijn Gulikse en Kleefse landen verdreven. Dit is nu nog steeds het geval.
De keurvorst heeft zich hier samen met HHM tegen verzet. In 1622 werd zelfs een nauwer verbond gesloten in de hoop het verloren gebied te recupereren. In de zeven daaropvolgende jaren is dat echter nog niet gelukt.
Om deze reden hebben HHM de keurvorst aangeraden een nieuw akkoord met de paltsgraaf te sluiten, wat zij hem mondeling en schriftelijk hebben laten weten in 1624, 1626 en 1627.
Frederik Hendrik heeft in de afgelopen zomer met de steun van HHM gepoogd een akkoord tussen beide vorsten te bewerken, waarvoor de keurvorst hem zeer dankbaar is. De Staten-Generaal hebben in hun advies al vaker laten blijken dat zij zich inzetten voor het welzijn van de verwoeste landen en de onschuldige inwoners en voor de bescherming van hun recht erop. Zij hebben geoordeeld dat daartoe geen beter middel bestaat dan een vergelijk. De huidige situatie in het Rijk, ontstaan door de voortzetting van de oorlog, is bedreigend voor de positie van de keurvorst, niet alleen in Kleef en Gulik, maar ook in zijn andere vorstendommen en landen.
De keurvorst is hierdoor in zijn overtuiging gesterkt, het akkoord met de paltsgraaf eindelijk af te ronden. Voor zo ver mogelijk was, wilde hij het afsluiten volgens de bepalingen die de prins van Oranje in mei 1628 met advies en goedkeuring van HHM voorgesteld had.
De keurvorst heeft toen Adam, graaf zu Schwarzenberg, naar de Republiek en naar Düsseldorf gestuurd. Daar heeft zijn gezant een voorlopig akkoord gesloten over de verdeling van Gulik en Kleef voor een aantal jaren. HHM kunnen de bepalingen lezen in de hiernavolgend kopie van het akkoord.
De keurvorst wil de raad en daad van HHM krijgen om het akkoord ten uitvoer te kunnen brengen. Men kan zo de verwoeste landen en hun onschuldige inwoners grotere ellende besparen en bovendien verdwijnt de bedreigende situatie voor de keurvorst in deze en andere gebieden.
Voorlopig traktaat tussen de keurvorst van Brandenburg en de hertog van Palts-Neuburg in 1629. Tussen beide vorsten zijn allerhande geschillen gerezen over het bestuur en het genot van de hertogdommen Gulik, Kleef en Berg en de daarbijbehorende graafschappen, heerlijkheden en andere lenen die vroeger in het bezit waren van wijlen Johann Wilhelm, hertog van Gulik, Kleef en Berg etc..
Beide vorsten zijn na rijp beraad tot het besluit gekomen dat door een voortzetting van de vijandelijkheden niet alleen zijzelf voortdurend gevaar lopen, maar dat ook de onschuldige inwoners in het verderf gestort worden en de landen de volledige vernieling riskeren. Hierdoor dreigt het verlies van deze landen voor de rechtmatige erfgenamen en het Duitse Rijk.
Om dit te voorkomen en tevens omwille van de bloedverwantschap tussen de keurvorst en de paltsgraaf en hun verschuldigde liefde voor de onderdanen, hebben zij een hieronder opgenomen, voorlopig akkoord gesloten voor de duur van 25 jaar. Het blijft van kracht zolang er voor het aflopen van de gestelde termijn geen einde is gesteld aan de opvolgingsstrijd door een definitief vergelijk of een rechterlijke uitspraak.
I Dit akkoord is niet nadelig of hinderlijk voor wat henzelf of andere pretendenten rechtens toekomt of wat later als dusdanig verklaard zal worden.
II De keurvorst en de paltsgraaf willen daarom samen hun respect betuigen aan de keizer, hun opperleenheer, en brengen hem op de hoogte van dit voorlopig akkoord. Zij vertrouwen erop dat niemand hierdoor in zijn rechten geschaad wordt, maar dat integendeel de landen bij het Rijk blijven en de onderdanen in vrede kunnen gaan leven. De keizer zal dit ongetwijfeld graag vernemen.
III Beide partijen brengen ook de koning van Spanje, de Infanta en de Staten-Generaal op de hoogte van dit akkoord en vragen hun, nu zij een akkoord gesloten hebben, hun respectievelijke legers uit de genoemde landen terug te trekken. Zij mogen eventueel nog één plaats bezet houden, op voorwaarde dat de soldaten binnen deze plaats zich neutraal opstellen. De keurvorst en de paltsgraaf vragen hun tevens alle vijandelijkheden, represailles en alle andere mogelijke handelingen in de genoemde vorstendommen te staken en de inwoners met rust te laten. Indien er nog enige inwoners in de garnizoenssteden vastzitten, dan moeten zij dezen onvoorwaardelijk vrijlaten. Door middel van schriftelijke resoluties willen de keurvorst en de paltsgraaf het gebied in de toekomst zo veel mogelijk vrijwaren van verdere inlegeringen, kampementen of doortochten. Indien dat niet vermeden kan worden en het nodig blijkt een legerkamp in het land te laten, dan moeten ze een strenge discipline handhaven en de bevolking geen overlast bezorgen, zoals vastgelegd is in de rijksordonnanties en de gezamenlijke verordeningen door de beide vorsten. Overtreders moeten een exemplarische straf krijgen en de schade behoorlijk vergoeden. De inwoners mag in geen geval door plunderingen of op andere manieren schade berokkend worden, maar zij moeten altijd van een echte neutraliteit kunnen genieten. Als iemand een misdaad tegenover de soldaten begaat of deze neutraliteit schendt, dan moet de terechtwijzing en de bestraffing gebeuren op gepaste wijze door de bevoegde overheid.
IV Verder zullen zij er met hulp van beide partijen op toezien dat zij in geen enkele plaats een garnizoen legeren, noch deze bezetten of aanvallen. Dit laatste geldt ook voor alle personen in dit gebied. Indien de keurvorst of de paltsgraaf of iemand in hun publieke of private dienst aanspraken hebben ten opzichte van de genoemde landen, hun inwoners of hun landstenden, dan moeten zij deze niet laten gelden door geweld of represailles, maar door goedheid en het recht, zoals vastgelegd in de oude pacten en concordaten.
V Evenmin mogen beide vorsten noch rechtstreeks noch indirect inbreuk maken op de rechten van de keurvorsten en vorsten die volgens het akkoord er landvorstelijke jurisdictie en autoriteit bezitten en renten en inkomsten genieten.
VI Van hun kant verzekeren beide vorsten de twee oorlogvoerende partijen dat zij oprechte neutraliteit willen nastreven, ondanks het feit dat zij elk een andere partij steunen. Eventuele geschillen worden conform de inhoud van de oude overeenkomsten geregeld.
VII Hetgeen eerder in deze kwestie tussen beide vorsten is voorgevallen en tot onenigheid aanleiding heeft gegeven, wordt wederzijds vergeven en zal niemand aangerekend worden.
VIII Beiden willen daarentegen voor de duur van dit voorlopig akkoord trouw samenwerken om hun bezit tegen de vijandige en kwalijke aanspraken van andere pretendenten te vrijwaren en te verdedigen.
IX Indien er tussen beide vorsten, hun ondergeschikten of onderdanen toch een geschil zou ontstaan, iets wat men probeert te vermijden, dan zal men niet onmiddellijk tot daden overgaan. Afhankelijk van het probleem, zal men de officieren en de raden bij elkaar brengen om de ontstane misverstanden gezamenlijk uit de weg te ruimen. Indien deze officieren en raden er niet uitkomen, kiezen beide zijden een gelijk aantal afgevaardigden om te onderhandelen en de zaak in alle goedheid te regelen. Als dat nog niet lukt, wordt een objectief en kort proces gevoerd, waarin beide zijden niet meer dan twee stukken mogen indienen en waar binnen het jaar een uitspraak gedaan moet worden. Om dit te bereiken moeten degenen die hiervoor gekozen worden, afzonderlijk de eed afleggen om onpartijdig recht te spreken in de voorliggende zaak. Wat dan bij meerderheid van stemmen beslist wordt, zal als uitspraak gelden. Bij staking van stemmen kiezen beide partijen een neutrale scheidsrechter, uit welke twee kandidaten één door het lot aangewezen wordt. Deze rechter moet eveneens de gepaste eed afleggen.
X Indien één van beide vorsten of diens erfgenamen overlijdt voor het aflopen van de gestelde 25 jaar of eer een definitieve oplossing gevonden wordt en zijn opvolger of erfgenaam het bestuur over deze landen aanvaardt, dan moet hij de andere partij drie maanden van tevoren op de hoogte brengen van de huldiging door de standen en de onderdanen. Op deze manier kunnen de gezanten van de overlevende partij nagaan of er iets tegen het voorliggende akkoord gebeurt. Er moet bovendien bij de huldiging rekening gehouden worden met de overlevende partij: de standen en de onderdanen moeten ook hem huldigen, overeenkomstig de huldiging volgens de hierbij gevoegde vorm. De gezant van de vorst die de huldiging ontvangt, moet op gepaste wijze onderhouden worden.
XI Beide vorsten en hun opvolgers mogen voor de duur van de gestelde 25 jaar of totdat er een definitief akkoord gesloten wordt de volledige titel en het wapen van de hertogen van Gulik, Kleef, Berg en de aanhorige graafschappen en heerlijkheden voeren. Beiden zullen elkaar dusdanig mondeling en schriftelijk aanspreken en hun onderdanen en kanselarijen de opdracht geven dat ook te doen.
XII Wat de voorlopige opdeling, administratie, regering en het genot van de betwiste landen aangaat, ontvangt de keurvorst van Brandenburg het vorstendom Kleef en de graafschappen Mark en Ravensberg met alle regalia, jurisdicties, rechten en privileges.
XIII De hertog van Palts-Neuburg krijgt de vorstendommen Gulik en Berg en de heerlijkheden Ravenstein en Breskens, met alle regalia, jurisdicties, rechten en privileges.
XIV De hertog krijgt verder de aanspraken op alle landen, heerlijkheden en leengoederen die wijlen Johann Wilhelm, hertog van Gulik etc., nagelaten of ooit bezeten heeft, maar die nu in vreemde handen zijn.
XV De ordinaris inkomsten en renten en de extraordinaris opbrengsten uit gewassen en contributies in de vorstendommen Kleef en Berg die na 1 mei opgebracht worden, zullen in een gemeenschappelijke kas gestort worden en aangewend worden zoals hieronder beschreven staat.
XVI Hoewel Kleef aan de keurvorst van Brandenburg is toegewezen en Berg aan de hertog van Palts-Neuburg, zullen toch alle mogelijke ordinaris en extraordinaris inkomsten uit contributies, belastingen, straffen, intochten en dergelijke gelijkelijk verdeeld worden tussen beide vorsten.
XVII Aangezien de keurvorst van Brandenburg even graag het vorstendom Kleef als het vorstendom Berg zou hebben, de hertog van Palts-Neuburg de keus is gelaten en deze nog geen besluit heeft genomen, krijgt hij nog een jaar bedenktijd. Indien de hertog binnen het jaar besluit dat hij liever het hertogdom Kleef zou hebben en dus het vorstendom Berg aan de keurvorst wordt afgestaan, dan vervalt de gelijke deling van de opbrengsten en zullen beide vorstendommen tegen elkaar ingeruild worden zonder dat daar verder over onderhandeld moet worden. De keurvorst heeft dan Berg, Mark en Ravensberg, de hertog Gulik, Kleef, Ravenstein en Breskens.
XVIII Aangezien de collatie van de proosdijen en andere geestelijke beneficies op de collegiale kerken en de vicariaten van andere kerken niet gelijk zijn in de verschillende vorstendommen, worden deze in alle gebieden per maand aan beide vorsten gegeven. De keurvorst mag alle beneficies benoemen die in de maanden januari, maart, mei, juli, september en november vrijkomen en in eerste hand geresigneerd worden. De hertog mag hetzelfde doen in de maanden februari, april, juni, augustus, oktober en december.
XIX In die geestelijke stichtingen waar de overleden vorsten slechts zes maanden het benoemingsrecht uitoefenden, wordt dit recht als volgt over beide vorsten verdeeld: de keurvorst in januari, mei en september en de hertog in maart, juni en november. De dekens en de kapittelheren moeten op de hoogte gebracht worden van dit akkoord en worden opgedragen om elke vacature onmiddellijk aan beide vorsten of hun bevoegde raden te melden en zo hun deel van het akkoord na te komen.
XX De hertog en de keurvorst zullen de regering van het hun toegewezen deel op zulk een eerbare manier inrichten conform de privileges en immuniteiten van de landen dat ze zich kunnen verantwoorden voor God, de keizer en het nageslacht.
XXI Indien na afloop van de termijn van 25 jaar geen definitief akkoord of nieuwe regeling bereikt is, staat elk landsdeel weer in zijn recht.
XXII De archieven, registraturen en oorkonden worden overeenkomstig de vorstendommen, graafschappen of heerlijkheden die een ieder zijn toegewezen, onderling geruild.
XXIII Elke keer als één van beide vorsten enige documenten uit de kanselarij of de registratuur van de ander nodig heeft, moet deze hem het origineel of een afschrift bezorgen, zonder daarin te frauderen.
XXIV De doorgang en handel, zowel over water als over land, mag niet gesloten worden, maar is altijd vrij zoals dat het geval was onder de vorige hertogen.
XXV Elk vorstendom betaalt zijn aandeel in de Rijks- en Kreitslasten, ondanks deze voorlopige opdeling.
Dit verdrag werd enerzijds door de graaf zu Schwarzenberg als gezant van de keurvorst van Brandenburg en anderzijds door de hertog van Palts-Neuburg eigenhandig getekend en gezegeld te Düsseldorf op 9 maart 1629.

1 Geïnsereerd in S.G. 3188 en gedrukt in Aitzema, S. & O. kwarto II, 737-739/folio I, 824.
2 Geïnsereerd in S.G. 3188 en gedrukt in Aitzema, S. & O. kwarto II, 739-745/folio I, 824-827.