31/05/1629, 17

31/05/1629, 17

17 De Admiraliteit te Amsterdam beantwoordt d.d. Amsterdam 20 april de brief van HHM d.d. 14 feb., haar samen met enkele stukken toegezonden. Deze betrof het terugroepen van de consul in Tunis en de consul in Algiers, het lenen van het achterstallige geld voor hun traktement en andere noodzakelijke uitgaven, en de naleving van het plakkaat d.d. nov. 1627 op de inspectie, bemanning en uitrusting van de schepen die door de Straat van Gibraltar varen. Verder handelde de brief ook over het onrecht dat orateur Haga de Nederlandse kooplieden naar men zegt aandoet door 3 ½ à 4 procent van de goederen te eisen die Nederlanders in Franse en Engelse schepen onder bescherming van de consuls van deze naties naar de Levant sturen.
De Admiraliteit antwoordt daarop dat de terugroeping van de consuls zoveel mogelijk versneld moet worden en dat prompt opdracht moet worden gegeven tot het lenen van het geld, ter voorkoming van verdere schade voor het land. Het aangehaalde plakkaat moet stipt nageleefd worden: er mag geen schip meer door de Straat varen dat niet conform de bepalingen uitgerust en bemand is. Wat de ongelijke behandeling aangaat, zouden HHM naar eigen oordeel moeten handelen om de Nederlanders te helpen.
Conform de resolutie d.d. 29 jan. wordt besloten de consuls terug te roepen. De Admiraliteit wordt gemachtigd zoveel geld te lenen als nodig is, ook voor de betaling van de 1.000 realen van achten en de rente daarop die gezant Pynacker onder borg van Lamberto Verhaer in Tunis heeft geleend. Inclusief onkosten en voorschot tot en met 14 feb. gaat het om een bedrag van 7.761 gld. 4 st. Dit bedrag moet wel terugbetaald worden uit de lastgelden. HHM vragen hierop spoedig te antwoorden. Een beslissing op de overige punten wordt uitgesteld.