23/07/1629, 8

23/07/1629, 8

8 Adriaen Pietersz. Raap, gecommitteerde raad van de Admiraliteit in het Noorderkwartier, en Jan Simonsz. Blauhulck, equipagemeester aldaar, schrijven d.d. 18 juli dat zij op aanschrijven van HHM de twintig zinkschepen die bij Wieringen liggen, bedoeld om in het Scheurtje [Kanaal van Mardijck] voor Duinkerke te laten zinken, hebben klaargemaakt. Tevens wordt een memorie van vice-admiraal Quast en kapitein Van der Haept d.d. 18 juli gelezen, met daarin verschillende praktische schikkingen en voorstellen. Elk zinkschip moet beschikken over twee ankers, drie touwen, een tuianker, een Biskaaise sloep met toebehoren, voor drie weken à één maand victualie en een werpanker met een paardenlijn. Quast en Van der Haept raden aan om maar zes zinkschepen tegelijk te halen en de matrozen een premie te geven om ze bereidwilliger te maken om deze onderneming uit te voeren.
HHM besluiten Raap en Blauhulck te schrijven de nodige maatregelen te treffen op de punten van de gelezen memorie, zonder enige ruggespraak, behalve aangaande het halen van de schepen en de voorgestelde premie voor de kapiteins, officieren en matrozen. Wat het eerste punt aangaat, besluit de vergadering dat alle schepen tegelijkertijd naar Duinkerke gevoerd zullen worden. Op het tweede punt stellen HHM dat na afloop van de operatie over ieders verdiensten gesproken zal worden, zodat niemand reden tot klagen zal hebben. Vice-admiraal Quast wordt op de hoogte gebracht van deze beslissing.