Donkersloot, Nicolaas Anthony (1902-1965)

 
English | Nederlands

DONKERSLOOT, Nicolaas Anthony (1902-1965)

Donkersloot, Nicolaas Anthony (ps. Anthonie Donker, Siem de Maat, Maarten de Rijk) letterkundige en literatuurhistoricus (Rotterdam 8-9-1902 - Amsterdam 26-12-1965). Zoon van Hendrik Donkersloot, onderwijzer, later directeur van een Normaalschool voor onderwijzers en onderwijzeressen, en Cornelia Johanna Margaretha de Breij. Sinds 31-7-1931 gehuwd met de Zwitserse Martha Paulina Magani. Uit dit huwelijk is een zoon geboren. Na de echtscheiding op 18-9-1937 gehuwd op 30-9-1938 met Nora Dorothea Visser van wie hij op 24-3-1941 gescheiden is. Op 27-7-1945 huwde hij Harmina Tjaardina Dadema. Deze beide huwelijken bleven kinderloos. afbeelding van Donkersloot, Nicolaas Anthony

Donkersloot werd vrijzinnig-protestants opgevoed, met nadruk op de ethisch-sociale traditie die deze richting eigen is. Reeds op het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam, waar J.H. Leopold zijn leraar was, openbaarde zich bij hem een grote belangstelling en aanleg voor literatuur. Hij schreef in 1917 verzen in het schoolblad die enig talent verrieden: zijn echte debuut onder het pseudoniem Anthonie Donker kwam pas in 1925 in De Vrije Bladen. Na zijn eindexamen in 1920 studeerde hij tot 1926 Nederlands te Leiden en Utrecht, welke studie hij tweemaal moest onderbreken: voor het vervullen van zijn militaire dienstplicht en voor een kuur wegens een longaandoening. Tot 1936 was hij meermalen gedwongen langdurige kuren in Zwitserland te ondergaan. In de periode 1930-1936 was hij leraar Nederlands aan het Lyceum Alpinum te Zuoz. Zijn ziekte verhinderde hem overigens niet met gestage regelmaat dichtbundels, vertalingen, literaire kritieken en essays te publiceren, terwijl hij zich in deze jaren ook bezighield met het schrijven van schoolboeken, al of niet in samenwerking met anderen. Voor de Vrijzinnig-Christelijke Jeugd Centrale, waarmee hij via sociaal werk onder de Rotterdamse jeugd in contact was gekomen, schreef hij een lekespel. Zijn belangrijkste literatuurhistorische werk uit deze periode is wel zijn proefschrift De episode van de vernieuwing onzer poëzie (1880-1894), waarop hij in 1929 cum laude te Utrecht promoveerde.

Zijn ervaringen in Zwitserland vonden hun neerslag in de roman Schaduw der bergen (1935). Het schrijven van romans bleek niet zijn ware roeping te zijn; sinds het einde van de jaren dertig wijdde hij zich vrijwel uitsluitend aan de dichtkunst, de literaire kritiek en de literatuurgeschiedenis. Als dichter viel hem vroege roem ten deel, maar ook de verguizing kwam betrekkelijk snel. Zijn eerste vier bundels (Acheron, Grenzen, Kruistochten en Gebroken Licht, verschenen tussen 1926 en 1934), waren weemoedig van toon en traditioneel van vorm, maar toch modem van inhoud, duidelijk afkomstig van een jong en zeer talentvol dichter. Zij sloegen niet alleen aan bij een brede lezerskring, maar ook bij dichters en critici die een totaal andere richting vertegenwoordigden, zoals Marsman en Ter Braak. Ook vielen hem al snel enige literaire prijzen ten deel. In later jaren bleef hij zich wel handhaven op hetzelfde niveau, maar er was nauwelijks sprake van een ontwikkeling. Hij vond geen aansluiting bij latere letterkundige stromingen, maar bleef een klassiek en zuiver dichter die zich het liefst bediende van traditionele vormen zoals het sonnet en ook van inhoud en toon der poëzie hardnekkig zichzelf bleef. Dit verklaart misschien dat hij als dichter allengs minder werd gewaardeerd, hoewel de bloemlezing De grondtoon (1963) duidelijk maakte dat zijn oeuvre een belangrijke plaats in de Nederlandse poëzie bleef innemen.

Donkersloot sloot zich in 1930 aan bij de esthetisch-ethische richting in de literaire kritiek van het tijdschrift De Stem, dat geleid werd door D. Coster en J. Havelaar. Hij kwam zo terecht in een van de felste literaire controverses van vóór de oorlog: de aanhangers van Forum (onder leiding van M. ter Braak, H. Marsman en E. du Perron) contra De Stem, waarvan Donkersloot van 1937 tot 1940 redacteur was. Daarnaast was hij medeoprichter van het tijdschrift Critisch Bulletin (1930), dat zich vooral toelegde op het beoefenen van objectieve literaire kritiek. Donkersloot zocht naar objectieve maatstaven waaraan de betekenis van elk literair kunstwerk af te meten was, en de eerlijke hartstocht waarmee hij dat deed werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Toch heeft de moderne literaire kritiek veel aan hem te danken, ook al omdat hij een fijn zintuig had voor het ontdekken van nieuw talent. Na de oorlog zette hij zijn werk als criticus met veel toewijding voort in het tijdschrift De Nieuwe Stem, in 1945 mede door hem opgericht.

In 1936 werd Donkersloot benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Deze benoeming ging gepaard met onverkwikkelijke intriges, enerzijds tegen Donkersloot, die - uiteraard geheel ten onrechte - werd beschuldigd van nazistische sympathieën, anderzijds tegen de katholieke literair-historicus G. Brom, die als tweede op de voordracht stond. Als hoogleraar concentreerde Donkersloot zich vooral op intuïtief begrip van de literaire tekst en op onderzoek van motieven en stijlen in de literatuur. Zijn bekende boek Karaktertrekken der vaderlandsche letterkunde verscheen in 1945. In 1956 werd zijn leeropdracht gewijzigd in algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Hij zette zijn studie van literaire motieven voort en wijdde zich ook aan de literatuurtheorie; dit laatste leidde tot de studie Wij noemen het literatuur (1965). Ook als hoogleraar bleef hij een eenling in zijn vak. Een sterk individualistische geaardheid was wel kenmerkend voor hem. Wat hij schreef over de mens Leopold: 'toenadering, bij alle behoud van afstand', ging ook op voor hem. Hij was een gereserveerd, misschien wel eenzaam mens, die toch in staat was tot diepe vriendschap. Naast plooibaar en verzoeningsgezind was hij ook onverzettelijk en strijdbaar waar het zijn principes betrof. Dit bleek wel bij het bekleden van vele bestuurlijke functies: van 1936 tot zijn dood had hij zitting in het bestuur van het Nederlands PEN-centrum, van 1945 tot 1956 was hij voorzitter van de Vereniging van Letterkundigen (daarna erevoorzitter). Aan de Universiteit van Amsterdam vervulde hij een aantal bestuursfuncties (rectoraat in 1950-1951). Ook had hij geruime tijd zitting in de Raad voor de Kunst. Zijn strijdbaarheid kwam vooral in de oorlog tot uiting. Het opstellen van een manifest tegen de Kultuurkamer (1942) kwam hem op gevangenschap te Scheveningen en St. Michielsgestel te staan, waaruit hij door een vergissing van de bezetter werd verlost. Hij dook onder en bleef een belangrijke rol spelen in het kunstenaarsverzet. Na de bevrijding bekleedde hij de functie van Hoofd der sub-sectie Kunst van de Staf van het Militair Gezag; een principieel pacifist werd zo in uniform gestoken. Via allerlei functies poogde hij onvermoeibaar het Nederlandse kunstleven opnieuw op gang te brengen en te behoeden voor de vooroorlogse verzuiling, die echter ook na de oorlog niet te stuiten was. Hij werd benoemd tot lid der Eerste Kamer (voor de PvdA), maar nam in 1949 ontslag uit protest tegen de tweede politiële actie in Nederlands-Indië. Zijn afkeer van de koude oorlog kwam tot uiting in zijn aandeel aan de oprichting van de internationale vredesbeweging De derde weg (1950). In 1957 werd hij lid van de PSP en liet zijn stem horen in protesten tegen de atoombewapening. Een slepende ziekte kon hem op het laatst van zijn leven niet weerhouden verre reizen te ondernemen om lezingen te houden over Nederlandse literatuur en de plichten, verbonden aan zijn hoogleraarschap en andere functies, nauwgezet te vervullen.

A: Nederlands Letterkundig Museum, 's-Gravenhage.

P: Beknopte bibliografie in De Nieuwe Stem 21 (1966)187-195.

L: N.A. Donkersloot-nummer van De Nieuwe Stem 21 (1966) 121-196.

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://dbnl.org/auteurs/beeld.php?id=donk007 [14-2-2008].

M.E.H.N. Mout


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013