Gorter, Herman (1864-1927)

 
English | Nederlands

GORTER, Herman (1864-1927)

Gorter, Herman, letterkundige (Wormerveer 26-11-1864 - Sint-Joost-ten-Node, gem. Brussel 15-9-1927). Zoon van Simon Gorter, doopsgezind predikant, en Johanna Catharina Lugt. Gehuwd op 17-7-1890 met Catharina Louise Cnoop Koopmans. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Gorter, Herman

Herman Gorters vader, die enige naam gemaakt had als medewerker aan De Gids , stierf in 1871 - na ongeveer een jaar hoofdredacteur van het Nieuws van den Dag te zijn geweest - op 32-jarige leeftijd. Het gezin - behalve Herman was er nog een oudere broer en een jongere zuster - woonde toen reeds in Amsterdam. Door het houden van een pension trachtte de moeder de middelen te verschaffen voor de opvoeding van haar kinderen.

Herman bezocht het Barlaeus-gymnasium. Na in 1883 eindexamen behaald te hebben ging hij in hetzelfde jaar klassieke talen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was lid van het Amsterdamse studentencorps en het dispuutgezelschap UNICA, toonde zich een actief sportbeoefenaar (cricket) en raakte al spoedig bekend met de dichters uit de kring van de Tachtigers. Gorter legde in 1888 zijn doctoraal examen af; hij had toen al een aantal gedichten geschreven (nog niet gepubliceerd) en vermoedelijk ook al een fragment van het grote gedicht Mei.

Dit gedicht verscheen in boekvorm in 1889, na een voorpublikatie in De Nieuwe Gids van de eerste van de drie zangen, waaruit Mei bestaat. Dit gedicht heeft Gorter toen en later zijn naam als dichter bezorgd. Dat hij, in hetzelfde jaar waarin Mei verscheen, promoveerde op een proefschrift over de beeldspraak bij de Griekse tragedieschrijver Aeschylus (De interpretatione Aeschyli Metaphorarum) is in het gedicht herkenbaar. Een van de vele opvallende eigenschappen van Mei is nl. de bijzondere beeldspraak, de ver uitgewerkte (Homerische) vergelijkingen. Men heeft bij de interpretatie van Mei , dat algemeen als een van de mooiste scheppingen van de Tachtigers wordt beschouwd, er dikwijls een conflict in willen zien tussen de aardse zintuiglijke schoonheid en de eeuwige absolute Schoonheid, of ook wel de drang naar bovenzinnelijke vereniging met hetgeen zich in het natuurleven openbaart; een drang die dan helaas niet bevredigd kan worden. Dit soort verklaringen zijn echter enigszins in tegenspraak met wat Gorter zelf aan een oom schreef dat hij '...iets van heel veel licht en met een mooie klank' had willen schrijven, en dat '...er een geschiedenis doorloopt en er een beetje filosofie in zit, maar dat is, om zo te zeggen bij ongeluk'. Enige weemoed over de voorbije jeugd is in ieder geval een van de motieven in Mei. Het weergeven van natuurimpressies en eigen gewaarwordingen - ook in Mei reeds duidelijk aanwezig - is tot een zeer individueel taalgebruik uitgegroeid in de bundel Verzen (1890).

Na 1890, toen Gorter inmiddels leraar was geworden aan het gymnasium te Amersfoort, kwam er een duidelijke kentering in Gorters opvatting over poëzie. Later, in 1905, in een voorbericht bij de herdruk van zijn verzamelbundel De school der poëzie , zou hij zelf een duidelijk beeld van zijn ontwikkeling als dichter geven: 'Want mijne beperkte zinnelijk-individueele emotie bevredigde mij niet. Was dat nu al de rijkheid, dacht ik? Bestond er nu niets meer dan dat? Altijd maar weer mij zelf, mijn eigen onmiddellijke omgeving, en niets meer?... In mijn wanhoop over mijn armoede besloot ik toen nog een geheel anderen weg te beproeven. Ik voelde dat ik waarheid, niet alleen over mij zelf, maar over de wereld, noodig had. Ik wist dat de filosofie eeuwen lang getracht heeft de wereldwaarheid te vinden. Daarom stortte ik mij in de filosofie. Maar moet ik nog zeggen dat de bevrediging die ik daar vond een valsche, een halve was?... Dorst naar schoonheid, onbevredigd, is een diepe pijn. Ik wendde mij naar alle kanten in den dag, ik wentelde mij op mijn leger en doorzocht mij zelf, maar ik vond de schoonheid, waartoe ik was uitgegaan, niet. Toen, terwijl mijn krachten reeds gevaar liepen te verslappen door overinspanning, liet ik mij naar het socialisme gaan. En daar, in de boeken van Karl Marx, vond ik wat ik gezocht had: den weg naar de algemeene schoonheid onzer onmiddellijke wereld, onzer maatschappij.' Het schrijven van wijsgerige verzen, waar Gorter in boven aangehaald citaat op doelt, begon ongeveer in 1892. In 1893 nam hij ontslag als leraar - hij gaf nog slechts enkele privé-lessen - en ging hij zich aan literatuur en filosofie wijden. Hij vestigde zich in een door H.P. Berlage gebouwd huis te Bussum, hetgeen mede mogelijk was door het vermogen van zijn schoonouders. In 1895 publiceerde hij een vertaling van Spinoza's Ethica. Toch is het spinozisme voor Herman Gorter slechts een tussenstation geweest op weg naar het marxisme. In 1897 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), een jaar later redacteur van het Soc. Dem. Maandschrift De Nieuwe Tijd. Tot de belangrijkste artikelen die hij in dit tijdschrift tussen 1897 en 1900 publiceerde, behoort: 'Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland'. Hij beschouwde de beweging van Tachtig als een bourgeois-beweging, en dus beperkt.

Gorter heeft de volle consequenties van zijn politieke keuze getrokken, praktisch en theoretisch. Wat de praktische kant betreft: hij voerde propaganda voor de partij, gaf cursussen, hield lezingen en schreef en vertaalde historisch-materialistische geschriften; veel gelezen en in bijna alle Europese landen vertaald werd zijn brochure Het historisch materialisme (1908). Wat de theoretische kant betreft: hij streefde naar een zuiver socialisme, bestudeerde socialistische auteurs als J. Dietzgen en K. Kautsky. Zijn opvattingen brachten hem in conflict met P.J. Troelstra; in 1909 werd hij redacteur van het links-socialistisch weekblad De Tribune. Na de scheuring in de SDAP sloot hij zich aan bij hen die al jaren tegen het parlementair socialisme van Troelstra hadden gevochten, mannen als D.J. Wijnkoop en J.C. Ceton. Zij stichtten de Sociaal-Democratische Partij (SDP) in Nederland - later Communistische Partij in Nederland (CPN). Herman Gorter werd lid van het partijbestuur.

In de socialistische idealen vond hij als dichter zijn bezieling. Zijn bundel Verzen (1903) geeft daar een duidelijk bewijs van. In zijn postuum door Jenne Clinge Doorenbos en Ant. Pannekoek uitgegeven studie De groote dichters (1935, grotendeels geschreven in 1922 en 1923), beschouwingen over Vondel, Shakespeare, Aeschylus, Homerus e.a., valt hij Vondel aan, omdat deze zich aanvankelijk wel, maar later niet meer liet inspireren door de strijd van de opkomende klasse, de calvinistische burgerij, tegen imperialisme en katholicisme. Hoewel misschien historisch onjuist is deze visie typerend voor Gorters opvatting over de positie van de dichter. Zijn latere grotere gedichten tonen een visionaire bezieling. Dit geldt enigszins voor Een klein Heldendicht (1906) en zeker voor zijn grote epische gedicht Pan (1912, uitgebreide versie 1916). Zijn socialistische poëzie, maar ook zijn proza zijn vol van een geluksgevoelen, een toekomstverwachting, gericht op vrijwording van de gehele mensheid in eenwording met de natuur. Hij was echter niet een idealist die onkundig was van sociologische, economische en maatschappelijke wetten. Gorter wilde een bezield socialistisch dichter zijn, maar beschouwde zichzelf ook als een belangrijk theoreticus van het socialisme, die aanvankelijk in eigen partijkringen veel aandacht trok. Al spoedig bleek dat hij tot de meest radicale groeperingen ging behoren. In 1917 reisde hij naar Bern en kwam daar in contact met een aantal uitgeweken Russische revolutionairen. Zijn brochure De Wereldrevolutie [1918] toont een afwijking van de door de SDP van Wijnkoop gevolgde koers. Ook bij Wijnkoop c.s. meende de absolutist Gorter, net als bij Troelstra vroeger, te veel opportunisme en tactiek te ontdekken. In 1920 sloot Gorter zich aan bij de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD), een radicale afsplitsing van de Duitse Communistische Partij. Het is Gorter geweest die het initiatief nam om een zusterorganisatie van de KAPD in Nederland te stichten: de Kommunistische Arbeiders Partij Nederland (KAPN). Een partijtje dat overigens in Nederland zo weinig aanhang vond, dat spoedig Gorter van de zijde van SDAP en CPN de beschuldiging kreeg te horen een 'sectariër' te zijn. Zeker is wel dat Gorter geen werkelijke aansluiting meer vond bij enige politieke partij en als typisch individualist na 1920 politiek vereenzaamd geraakte. Zijn radicalisme vervreemdde hem ook van iemand als Lenin, met wie hij in 1920 besprekingen voerde tijdens bijeenkomsten van de Komintern te Moskou. In 1920 antwoordde hij op Lenins brochure Der Radikalismus, eine Kinderkrankheit des Kommunismus met Offener Brief an den Genossen Lenin. Tegenover de tactische politiek van Lenin stelde Gorter, evenals zijn medestrijder Anton Pannekoek, dat de 'groote revolutie' in het Westen moest komen, en dat die met 'slimme Politiek' vanuit Moskou niet te verwerkelijken zou zijn: de opbouw van 'Arbeidersraden' was voor Gorter de weg naar het zuivere communisme.

Zo ver was het nog niet, dat wist Gorter ook wel, maar hij bezong het in zijn postuum verschenen De Arbeidersraad (1931). Niet alleen politiek vervreemdde hij, ook in zijn persoonlijk leven. In 1916 overleed zijn vrouw; meer nog dan vroeger had hij behoefte aan retraite, om zich te bezinnen op zijn werk; zijn idealen werden steeds meer onbereikbaar en onvervulbaar; bovendien, de altijd zeer sportieve Gorter (bergtochten, zeilen) werd ouder, en na 1920 kwamen hartaandoeningen geregeld voor. De dichter was bovendien niet altijd opgewassen tegen de vele spanningen die hij dikwijls zelf veroorzaakte, zowel op politiek als erotisch gebied. Twee oud-leerlingen waren voor hem begrijpende vriendinnen geworden, met wie hij - afzonderlijk - vele reizen maakte, ook reeds tijdens zijn huwelijk. Na de dood van zijn vrouw is het echter nooit tot een tweede huwelijk gekomen: hij wilde de een niet kwetsen door een huwelijk met de andere. In 1927, op terugreis uit Zwitserland, kreeg hij in de trein een hartaanval, en de volgende morgen in een hotel te Brussel overleed Herman Gorter, een dichter voor wie - naar zijn eigen zeggen - de vrijwording van de arbeidersklasse tegelijk poëziewording was, maar die ironisch genoeg vooral te boek zou blijven staan als de schepper van Mei , de 'allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie'.

A: Gegevens over alle beschikbare documentatie zijn te vinden in het Nederlands Letterkundig Museum te Den Haag; Herman Gorter documentatie over de jaren 1864 tot en met 1897 . Samengest. door Enno Endt (Amsterdam, 1964).

P: Een overzicht van de afzonderlijk verschenen werken is te vinden in de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum. Gorters poëzie en zijn literair essayistisch werk zijn uitgegeven in Verzamelde Werken I-VIII (Bussum, 1948-1952). Van een uitgave Herman Gorter Verzamelde lyriek in twee delen verscheen deel I (Amsterdam, 1966). Hierin de lyriek tot 1905; het gedicht Mei is in deze bundel niet opgenomen. Voor Gorters politieke geschriften zie onder A, en H. de Liagre Böhl, Herman Gorter (Nijmegen, 1973). Proefschrift Leiden.

L: Behalve hieronder genoemde werken zie de onder P genoemde dissertatie van De Liagre Böhl voor literatuur over Gorter; W. van Ravesteyn, Herman Gorter, de dichter van Pan. Een heroïsch en tragisch leven (Rotterdam, 1928); J. C. Brandt Corstius, Herman Gorter. Een bijdrage tot de kennis van zijn leven en werk (Amsterdam, 1934). Proefschrift Utrecht; T.J. Langeveld-Bakker, Herman Gorter's dichterlijke ontwikkeling in Mei, Verzen en eerste sonnetten (Groningen, 1934). Proefschrift Leiden; J. de Kadt, Herman Gorter: neen en ja (Amsterdam, 1947); Jenne Clinge Doorenbos, Wisselend getij. Dichterlijke en politieke activiteit in Herman Gorters leven (Amsterdam, 1964); Henri Huyghe, Mei van Herman Gorter: gewikt en gewogen... (Louvain [etc.], 1974); Herman Gorter en Henriette Roland Holst in hun tijd . [Red.: G. Borgers et al.] ('s-Gravenhage, 1977); Acht over Gorter. Een reeks beschouwingen over poëzie en politiek . Onder red. van Garmt Stuiveling (Amsterdam, 1978); Mathijs C. Wiessing, 'Herman Gorter im Jahre 1918', in Die Holländische Schule des Marxismus. Die Tribunisten. Erinnerungen und Dokumente (Hamburg, 1980) 68-87.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO].

W.A. Ornée


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013