Hudig, Willem Carel (1874-1954)

 
English | Nederlands

HUDIG, Willem Carel (1874-1954)

Hudig, Willem Carel, cargadoor en reder (Rotterdam 2-6-1874 - Rotterdam 31-5-1954). Zoon van Jan Hudig, cargadoor en reder, en Jacoba Catharina Gijsbertina Toe Water. Gehuwd op 12-6-1902 met Anna Löhnis. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

W.C. Hudig drukte in vele opzichten de sporen van zijn vader, zij het met een zwaarder accent op sociaal werk. Na een aantal jaren gymnasium in Rotterdam en een handelsopleiding in het buitenland gevolgd te hebben, trad hij op 26-5-1903, te zamen met J.C. Veder, toe tot de firma Hudig & Veder, cargadoors en reders, alsmede tot de firma John Hudig & Son, Lloyd's Agents. Reeds in 1907 speelde hij door zijn medewerking aan de stichting van de Scheepvaartvereeniging te Rotterdam een vooraanstaande rol in het streven naar verbetering van de arbeidsomstandigheden in de haven. Hij was van 1909 tot 1911 voorzitter van deze organisatie en vervulde ook later belangrijke functies in haar midden. Op zijn initiatief werden ingrijpende verbeteringen aangebracht in de werving van havenarbeiders, die op den duur nog sterk zijn uitgegroeid. Na de Eerste Wereldoorlog verleende hij zijn steun aan het streven van een aantal ondernemers in de haven naar vergaande sociale hervormingen.

Meer in het algemeen zette Hudig zich die jaren in voor steun aan de door de oorlog getroffen groepen van de bevolking. Na het einde van de strijd kwam hij voorts tot meer gericht sociaal werk door het aandeel dat hij nam aan de oprichting van de Vereeniging 'Instituut voor de Rijpere Jeugd' te Rotterdam, die zich het verrichten van sociaal-cultureel vormingswerk (beter bekend als clubhuiswerk) ten doel stelde. Haar op 21-3-1922 geopende eerste clubhuis betekende het begin van dit soort werk in Nederland. Op 26-1-1926 werd daarnevens opgericht de Rotterdamsche Vereeniging voor ontwikkeling en ontspanning der vrouwelijke jeugd. De clubhuizen dezer instellingen stonden onderscheidenlijk bekend als 'De Arend' en 'De Zeemeeuw'. Later zijn ze samengesmolten. Hudig werd in 1922 voorzitter van de eerstgenoemde vereniging en trad in 1937 ook als zodanig op voor de laatstbedoelde, waar voordien de leiding steeds in vrouwelijke handen was geweest. Hij heeft zich niet alleen veel moeite gegeven voor de financiële basis van het werk, dat ook materieel veel aan hem heeft te danken, doch evenzeer voor de uitbreiding en verdieping daarvan. Naast dit vormingswerk werd onder zijn voorzitterschap aandacht besteed aan de jeugdwerkloosheid van de jaren dertig (cursuswerk), waarbij tijdens de oorlog zorg kwam voor de voedselvoorziening. Onder voorzitterschap van zijn echtgenote mevrouw Hudig-Löhnis, zelf ook herkomstig uit een met de haven verbonden familie, vormde zich daarnevens een damescomité uit de bestuursleden van de beide verenigingen, dat zich intensief bezighield met de uitvoeringsvraagstukken van haar beider verschillende clubhuizen en de daaraan verbonden personeelsvraagstukken. Jarenlang waren zij de stuwende krachten achter deze arbeid, die een grote plaats in hun leven heeft ingenomen. Hudig trad af in 1946, zijn vrouw zette het werk voort tot haar dood in 1949.

Evenals zijn vader was Hudig lid van de gemeenteraad, van 1931 tot 1935, als vooruitstrevend vertegenwoordiger van de Liberale Staatspartij. Hij voerde in dit lichaam kort en zakelijk het woord over haven- en andere economische problemen, onderwijs en verschillende sociale belangen. Het sprak welhaast vanzelf dat hij in 1931 werd benoemd tot lid van de commissie van advies voor het in te stellen Gemeentelijk Havenbedrijf.

In dezelfde sfeer trad hij in 1916 op als medeoprichter van het 'Technisch Scheepvaartkundig Museum', waarnaast hij enkele maanden later lid werd van het mede in het leven geroepen Nationaal Comité, tevens lid en secretaris van het dagelijks bestuur der vereniging Nationaal Technisch Scheepvaartkundig Museum te Rotterdam.

Evenals zijn vader was hij een man met veel belangstelling voor kunst en cultuur. Hij was curator van de Stichting Museum Boymans en jarenlang bestuurslid van de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. Naast zijn werkzaamheid in zijn eigen bedrijf vervulde hij enkele commissariaten. Ook was hij vice-consul van Italië. In 1951 trad hij uit zijn beide firma's en trok hij zich mede terug uit zijn functies bij het Nationaal Technisch Instituut voor Scheepvaart en Luchtvaart, zoals het bovenvermelde Museum intussen was genoemd.

L: NRC , 1-6-1954; Trouw , 3-6-1954; Rotterdamsch Nieuwsblad , 3-6-1954.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013