Kamstra, Rients (1882-1954)

 
English | Nederlands

KAMSTRA, Rients (1882-1954)

Kamstra, Rients, internationaal handelaar in vruchten (Franeker 24-9-1882 - Rotterdam 15-4-1954). Zoon van Hijltje Kamstra, wolhandelaar, en Trijntje Pars. Gehuwd op 23-2-1915 met Fettje Velding. Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 2 dochters geboren.

Kamstra was afkomstig uit een goed gereformeerd gezin. Zijn vader bewoog zich in de plaatselijke politiek, waarin hij zelfs als loco-burgemeester optrad, en genoot in Friesland ook bekendheid als antirevolutionair lid van de Provinciale Staten. Al vroeg meende Rients de wijde wereld te moeten ingaan, omdat het talrijke gezin van zijn ouders hem naar zijn gevoel te weinig ruimte liet. Zo trok Kamstra in 1900 met vijf gouden sovereigns op avontuur naar Londen, waar hij bij landgenoten een zekere introductie had door de reputatie die zijn vader in geestverwante kringen genoot. Hoewel deze ook naar Engeland wol exporteerde, bleef zijn zoon zorgvuldig buiten het vaderlijk terrein. Overigens sleet hij alle agrarische produkten waarvoor afzet gevonden kon worden. Boter, kippen en kaas werden daartoe op gewoonlijk te voet afgelegde zakenreizen ten plattelande van Friesland en Noord-Holland gekocht, evenals bessen, uien, aardappelen e.d. Langzamerhand werd zijn werksfeer comfortabeler door uitbreiding tot de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden, alsmede Vlaanderen. Binnen betrekkelijk korte tijd werd Kamstra daardoor in Engeland als koopman, gespecialiseerd in de internationale fruit-handel, een figuur van betekenis. In 1912 breidde hij zijn zaken ook tot Huil uit, en dank zij medewerking van familieleden kon hij zakenreizen naar de Verenigde Staten, Canada en Egypte ondernemen.

De mobilisatie van 1914 dwong hem terug te keren naar Nederland, waar hij weldra zakenverlof kreeg. Rotterdam werd na zijn huwelijk met de dochter van de gemeentesecretaris van Franeker metterwoon de stad waarin hij vervolgens gedurende bijna veertig jaar de invoer van verse vruchten tot een grote hoogte zou doen stijgen. Deze haven werd mede door zijn vakkennis en activiteit veel meer dan voordien tot een centrum voor de aanvoer en verhandeling van deze artikelen, waarbij Kamstra, samenwerkend met kapitaalkrachtige kringen in de internationale handel en de scheepvaart, zich vooral toelegde op de import van citrusfruit, doch daarnaast bijvoorbeeld ook activiteit ontplooide door grootscheepse aanvoer van Middenamerikaanse bananen. Zich bedienend van verschillende rechtsvormen deed hij deze zaken onder de naam Internationale Fruit Maatschappij. Zijn vestigingen te Londen en Huil werden aangehouden, terwijl in Spanje een inkoopagentuur werkzaam was. Zijn Friese aard verloochende zich daarbij niet, zoals bleek uit zijn uiterst strikte en harde zakenzeden. Zijn voorkeur voor brede ontplooiing van het particulier initiatief deed hem in 1921 naar de pen grijpen om in een vurig gestelde brochure de exporteurs van landbouwprodukten te waarschuwen tegen overheidscontrole op de kwaliteit van hun goederen.

Deze succesvolle en actieve zakenman kreeg uiteraard ook een plaats in het georganiseerde handelsleven. Kamstra was eerst vice-voorzitter van de Ned. Vereniging van fruit-, groente- en aardappel-exporteurs en in de oorlog voorzitter van de vakgroep groente en fruit. Hij was voorts bestuurslid van de afdeling Rotterdam van het Verbond van Protestantsch-Christelijke Werkgevers. In 1939 werd hij na het overlijden van zijn vakgenoot en geestverwant J.A. Stokdijk gekozen tot lid van de Kamer van Koophandel & Fabrieken voor Rotterdam, waarvan hij tot 1 januari 1951 deel zou uitmaken. Al spoedig brachten de tijdsomstandigheden zijn gewone commerciële werkzaamheden tot stilstand. Zelfs werd Kamstra enkele dagen na de capitulatie in 1940 te zijnen huize gearresteerd, blijkbaar onder verdenking een agent van Engeland te zijn. Na een verblijf van enkele weken in de gevangenis van Münster (Westfalen) bleek deze veronderstelling onhoudbaar, en na zijn terugkeer in Rotterdam, liet de bezetter hem verder ongemoeid. Hij maakte zich daarna verdienstelijk als voorzitter van het Verenigd Importeurskantoor te Rotterdam dat belast was met de centrale import in Nederland van vers fruit en groenten, die gedurende de bezettingstijd niet meer van overzee konden komen. De gedwongen stillegging van zijn eigen onderneming werd anderzijds de oorzaak dat Kamstra gedurende en kort na de oorlogsjaren een gelukkige activiteit kon ontwikkelen in het algemeen belang.

Na de verwoesting van de binnenstad van Rotterdam zetten het gemeentebestuur en de Kamer van Koophandel & Fabrieken zich terstond aan de zware taak om uit de chaos het beste te maken. Uiteraard richtte de Kamer van Koophandel zich daarbij vooral op de commerciële aspecten. Zij riep een organisatie in het leven om de getroffenen zoveel mogelijk te voorzien van nieuwe goederen van allerlei aard en deze voorziening te leiden via de normale handelskanalen in de goeddeels verwoeste stad, waardoor het mes aan twee kanten kon snijden. Van deze aanvankelijk als plaatselijk bedoelde activiteit werd Kamstra de leidende figuur: op 10 oktober 1940 volgde zijn benoeming tot voorzitter van de Commissie Centrale Voorziening Rotterdam, die bij het toenemen van de werkzaamheden en verantwoordelijkheden op 1 september 1941 werd omgezet in een rechtspersoon: de Stichting Centrale Voorziening Rotterdam. Toen het oorlogsgeweld steeds fellere vormen aannam werd deze in de praktijk bruikbaar gebleken constructie in 1944 uitgebreid tot een landelijke samenwerking. De geschiedschrijver van de Stichting heeft Kamstra in deze functie treffend getekend met zijn oudvaderlandse kop, zijn klare ogen en zijn rustige gebaren, met geduld luisterend onder het roken van zijn pijp van uitzonderlijke makelij, althans wanneer er tabak was. Mede door het gezag van de Kamer van Koophandel & Fabrieken voor Rotterdam en haar voorzitter, K.P. van der Mandele, gelukte het dit werk te houden buiten de bemoeiingen van de bezetter en zijn trawanten. Door heffing van consentgelden van de handel heeft deze werkzaamheid zichzelf zonder enige steun van wie ook kunnen bedruipen. Haar omzetten bedroegen ongeveer f 50.000.000.- In de aanvang van 1946 was dit oorlogswerk geheel beëindigd.

Na de oorlog is Kamstra beheerder en bestuurder geweest van een twintigtal ondernemingen die gefinancierd werden met vijandelijk vermogen of door met de bezetter collaborerende elementen.

Buiten zijn eigen veelomvattende zaken streefde hij niet naar commerciële activiteiten. Hij bekleedde slechts enkele jaren een industrieel commissariaat in geestverwante kring. Daarentegen was hij wel bereid om zonder geldelijk gewin het veeleisend voorzitterschap van de Commissie van Administratie van de Gereformeerde Kerk te Kralingen te bekleden en op te treden als bestuurslid van de voorschotkas voor leden van deze kerkelijke gemeente.

P: Exporteurs Waakt! (Doetinchem, 1921); 'Zuid-Amerika als leverancier van fruit', in Groothandel 3 (WS)Ï 141.

L: Ch.A. Cocheret, Helpende handen. Geschiedenis van de Stichting Centrale Voorziening te Rotterdam... (Rotterdam, 1951) passim.

W.F. Lichtenauer


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013