Berlage [jr.], Hendrik Petrus (1896-1968)

 
English | Nederlands

BERLAGE [JR.], Hendrik Petrus (1896-1968)

Berlage [jr.], Hendrik Petrus, geofysicus (Amsterdam 24-10-1896 - Utrecht 3-3-1968). Zoon van Hendrik Petrus Berlage, architect, en Marie Bienfait. Gehuwd op 28-4-1924 met Elisabeth Smits. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. Na echtscheiding (8-11-1940) op 17-5-1949 opnieuw gehuwd met Elisabeth Smits. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Berlage [jr.], Hendrik Petrus

Berlage studeerde, na de middelbare school in Amsterdam te hebben doorlopen, aan de Eidgenössische Hochschule in Zürich (1915-1919). Eenmaal dat ingenieursdiploma behaald, studeerde hij aan de Leidse universiteit wiskunde en theoretische natuurkunde (1920-1922). In de winter van 1922/1923 verdiepte hij zich in de seismometrische apparatuur op het Koninklijk Nederlandsen Meteorologisch Instituut (KNMI) in De Bilt. Nadat hij in de zomer van 1923 naar Zürich was teruggekeerd, volgde daar voor hem de promotie tot doctor in de technische wetenschappen op het proefschrift: Untersuchung des De Quervain-Piccard'schen Seismographen und einiger allgemeiner seismometrischer Probleme ([Zürich], 1924).

Berlage werkte daarna eerst als assistent aan het Institut de Physique du Globe te Straatsburg en trad vervolgens in 1925 als wetenschappelijk medewerker in dienst van het Koninklijk Magnetisch en Meteorologisch Observatorium te Batavia. Hoewel reeds een autoriteit geworden op het gebied van de seismologie moest hij zich daar aanvankelijk met weersvoorspellingen op lange termijn bezighouden. Zo opende hij als eerste publikatie een lange reeks verhandelingen over seizoenverwachtingen in Nederlands-Indië met East-monsoon forecasting in Java (Batavia, 1927). Berlage schreef over langperiodieke schommelingen in luchtdruk en temperatuur, over het effect van de driejarige periode in de luchtdruk op het weer in Nederlands-Indië en in verband daarmee op de jaarringen van djatibomen op Java. In zijn Further researches into the possibility of long-range forecasting in Netherlands India (Batavia, 1934) besteedde hij aandacht aan de zg. zuidelijke schommeling, de ruim tweejarige schommeling in luchtdruk en temperatuur in de tropische gordel van de Stille Oceaan. De verklaring van dit atmosferische verschijnsel baseerde Berlage op een wisselwerking tussen de luchtdrukgradiënt en de stroomsnelheid in de zuid-equatoriale stroom. Het probleem van de schommelingen in de algemene luchtcirculatie bleef hem zijn gehele leven fascineren. Toch behield de seismografie ook zijn voortdurende aandacht, wat afgeleid kan worden uit o.a. de volgende internationale publikaties: 'A provisional catalogue of deep-focus earthquakes in the Netherlands East Indies 1918-1936' (in Gerlands Beiträge zur Geophysik 50 (1937) 7-17) en het artikel 'Seismometer' voor het Handbuch der Geophysik. Hrsg. von B. Gutenberg (Berlijn, 1932) 299-528.

Na de oorlogsjaren onder zware omstandigheden in Japanse internering te hebben doorgebracht, werd Berlage waarnemend directeur (1946/1947) en na de soevereiniteitsoverdracht hoofd van de Meteorologische en Geofysische Dienst van Indonesië. In 1948 was hij bovendien buitengewoon hoogleraar in de algemene geofysica aan de Universiteit van Indonesië te Bandoeng geworden. Lang kon dit alles echter niet duren: na eervol ontslag uit beide functies keerde Berlage in september 1950 naar Nederland terug en werd hij vervolgens benoemd tot eerste wetenschappelijk medewerker aan het KNMI in De Bilt om leiding te geven aan de studie van de weersverwachting op langere termijn. Hoezeer deze studie hem ook thans weer boeide bleek uit zijn populair-wetenschappelijke overzicht in Hemel en dampkring, dat nog in 1962 het licht zou zien. De waardering voor zijn werk kwam tot uitdrukking in het in 1952 verleende lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en in een hem verleend buitengewoon hoogleraarschap in de meteorologie, klimatologie en oceanografie aan de Utrechtse universiteit, dat van 1954 tot 1966 vervuld kon worden. Hij aanvaardde dit professoraat op 18 oktober 1954 met een oratie: Over de dampkring der aarde en hoe onze wereld daaraan kwam (Rotterdam, 1954). Het werk bij het KNMI zorgde er overigens voor dat hij het contact met de praktijk niet verloor: in 1955 belast met het onderzoek in de afdeling klimatologie en landbouwmeteorologie kon hij een werkzaam aandeel hebben in het onderzoek van de industriële luchtverontreiniging in het gebied van de IJmond en de Nieuwe Waterweg.

Ruimheid van belangstelling en kunnen bleek overigens ook uit het feit dat hij behalve in de geofysica bijzonder geïnteresseerd was in de kosmogonie, waarmee hij zich al ver voor de oorlog had beziggehouden. Daaraan was o.a. zijn Versuch einer Entwicklungsgeschichte der Planeten (Leipzig, 1927), gevolgd door een aantal publikaties in de Verslagen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, te danken geweest. In populaire vorm had hij zijn denkbeelden reeds ontvouwd in Het ontstaan en vergaan der werelden ([Amsterdam], 1930). Na de oorlog verscheen nog een eveneens populair-wetenschappelijk boek van zijn hand over Het ontstaan van het zonnestelsel (Haarlem, 1956). Hoezeer hem dit onderdeel van zijn vak bleef vasthouden trad nog aan de dag na zijn pensionering als hoogleraar. In 1967 gaf hij met R.W. van Bemmelen en W. Nieuwenkamp argumenten ten gunste van de hypothese dat onze aarde meer dan één maan zou hebben gehad ('On the origin and évolution of the moon and the crust of the earth', Proceedings of the Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen I. Serie B 70 (1967) 508-528).

Berlage was een man met een grote belangstelling. Van zijn vader had hij ongetwijfeld de kunstzinnigheid geërfd die hem kenmerkte. In zijn jeugd speelde hij viool en tekende hij. Later in Indië musiceerde hij in verschillende orkesten. Tijdens zijn kampjaren gedurende de Japanse overheersing bleef zijn geestkracht ongebroken. Hij hield lezingen en gaf wis- en natuurkundelessen. 's Avonds vermaakte hij zijn kampgenoten met een zelf door hem vervaardigd schimmenspel. Ook na de oorlog bood hij Nederlanders die uit het voormalig Ned.-Indië kwamen en aanpassingsmoeilijkheden hadden de helpende hand. Zo ook was zijn instelling tegenover zijn studenten, voor wie hij een enthousiast docent was.

A: Archiefstukken in het archief-KNMI in het Rijksarchief te Utrecht.

P: J.C. Poggendorff's, Biographisch-literarisches Handwörterbuch für Mathematik, Astronomie, Physik, Chemie und verwandte Wissenschaftsgebiete (Leipzig [etc.], 1936) VI, 190 en (1967) VIIb, 339-340.

L: F.H. Schmidt, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1967-1968, 317-321; idem, in Geografisch Tijdschrift N.R. 2 (1968) 185-186; L.J.L. Deij, in Hemel en dampkring 66 (1968) 185-187.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1967-1968 (Amsterdam 1968) afbeelding tegenover pagina 317.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 09-10-2015