Jager, Jacobus Hendrikus de (1869-1945)

 
English | Nederlands

JAGER, Jacobus Hendrikus de (1869-1945)

Jager, Jacobus Hendrikus de (erkend en gewettigd bij huwelijk van ouders op 12-7-1872, waardoor de naam Speenhoff werd verkregen), dichter-zanger (Kralingen, gem. Rotterdam 23-10-1869 - 's-Gravenhage 3-3-1945). Zoon van Jacob Speenhoff, fabrikant van isoleermateriaal, en Magdalena de Jager. Gehuwd op 24-8-1905 met Alexandrina Cesarina Julia Prinz. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Jager, Jacobus Hendrikus de

Koos Speenhoff groeide op in een weinig harmonieus milieu; zijn vader was een vooraanstaand koopman (Ned. Herv.), zijn moeder een eenvoudige volksvrouw (RK). Drie jaar na zijn geboorte traden zij in het huwelijk en verhuisden zij naar Krimpen aan de Lek. Vader Speenhoff had gehoopt dat zijn enige zoon hem als ingenieur in de fabriek zou opvolgen, maar de jonge Koos meldde zich, na een onvoltooide HBS-studie in Rotterdam, als leerling-machinist bij de marine in Hellevoetsluis. Een ongelukkige val tijdens een manoeuvre op Voorne maakte een ontijdig einde aan deze periode (1886-1889), omdat hij voor verdere dienst moest worden afgekeurd. Bij gebrek aan beter accepteerde hij een positie als bedrijfsleider en buitenlands vertegenwoordiger in de zaak van zijn vader. Maar in de praktijk bleek hij volstrekt ongeschikt te zijn voor leidende functies, en hij dreigde in de ogen van zijn ouders volledig te mislukken toen hij een hang naar het Rotterdamse bohémienleven aan de dag legde. Toen hij omstreeks 1895 het ouderlijk huis verliet om zich in het 'Montmartre aan de Maas' te vestigen, was dat voor hem een vlucht uit het fantasieloze, conventionele en uitzichtloze burgermansbestaan. Met schrijven, tekenen en schilderen wilde hij aan de kost zien te komen, bewust als hij zich toen al was van zijn artistieke mogelijkheden, die in Krimpen aan de Lek niet bepaald welkom waren; zijn zuster heeft hem nooit willen zien optreden en van zijn vader heeft hij geen steun ontvangen om zijn bijzondere gaven te ontplooien. In zijn diensttijd had hij al spottende versjes voorgedragen, waarvoor hij een paar keer in de cel belandde wegens insubordinatie.

Aangemoedigd door artistieke vrienden, onder wie de schilder Kees van Dongen, maakte hij van zijn liefhebberij (het schrijven en zingen van liedjes) zijn beroep. In 1902 (hij was toen 33 jaar oud) debuteerde hij als dichter-zanger in de Rotterdamse Tivoli-Schouwburg en werd overrompeld door een volkomen onverwacht succes, dat in heel Nederland een weerklank zou vinden. In zijn sociaal bewogen en hekelende volkspoëzie over alle mogelijke onderwerpen, die veelal een actueel karakter droegen, sneed het mes aan twee kanten: de aan het begin van de eeuw ontwakende arbeider herkende zijn eigen leven, omgeving en situatie, en de intellectueel ontdekte een nieuwe literaire stijl in een periode van saaie sonnetten en hoogdravende onechtheid. Koos Speenhoff, de superindividualist, zong zijn liedjes met een aangename baritonstem en een minimum aan voordracht, onderstreept door een paar eenvoudige, niet altijd zuiver klinkende gitaarakkoorden. Hij distantieerde zich doelbewust van de toenmalige variétéhumoristen, door in een zwarte, geklede jas te verschijnen met een lessenaar en een repertoireboek. Het contrast tussen het uiterlijk van een deftige dominee en de openhartige inhoud van zijn getuigende liedjes is als een schok door ons land gegaan. Zijn populariteit kende geen grenzen en zijn felle strijd tegen voornamelijk katholieke kringen die zijn werk 'onzedelijk' en 'weerzinwekkend' noemden, werd door zijn trouwe aanhangers overal toegejuicht.

Des te groter was de verbazing toen hij, kort na een ongekend grootse huldiging in 1915, plotseling zelf de zedenmeester ging spelen. Ter gelegenheid van het feit dat hij katholiek was geworden, vond hij het nodig te verklaren dat hij zich uit morele overwegingen schaamde voor zijn vroegere werk. Toen zijn fans in verzet kwamen, trachtte hij zijn ondoordachte uitspraken te herroepen, maar de verwarring was gesticht, en dat zou daarna nog vele malen gebeuren ten koste van zijn reputatie en zijn populariteit. Door zijn gespleten persoonlijkheid, waarvan de oorzaak terug te voeren is tot zijn zo verschillend geaarde ouders, kon ten slotte niemand hem meer volgen. Een zucht naar burgerlijke deftigheid waarmee hij de gewone volksjongen in zichzelf de mond snoerde, heeft zich telkens weer geopenbaard; terwijl iedereen in Nederland sprak van Koos Speenhoff, probeerde hij zich hardnekkig 'de Heer J.H. Speenhoff' te laten noemen. Na 1920, toen zijn ster al begon te dalen, was zijn lijfspreuk ' 't Is anders!' irritant geworden, omdat hij onder deze vlag niets anders meer deed dan met alle geweld in de contramine willen zijn, verzuurd, verbitterd, rancuneus. De socialistische volksdichter was een conservatieve betweter geworden, die in deze laatste hoedanigheid voornamelijk vervelende gelegenheidsversjes fabriceerde. Zijn kameleontische instelling werd nog gestimuleerd door zijn onvermogen zich aan te passen bij de nieuwe tijd, die na de Eerste Wereldoorlog was ingeluid. Toch bleef hij nog lang een populaire figuur, die in variététheaters en in voorprogramma's van bioscopen een welkome gast was met z'n vertrouwde liedjes, die hij meestal inleidde zonder de pretentie ook nog conferencier te willen zijn. Maar op den duur raakte hij uit de tijd en werd hij steeds afgunstiger op jongere collega's die zijn pioniersvoorbeeld met succes hadden gevolgd. Hij werd ten slotte een verbeten lintjesjager en deed bedenkelijke uitspraken in antisemitische zin. Steeds meer vrienden wenden zich van hem af, waardoor hij de laatste jaren van zijn leven een eenzame figuur is geworden die zich miskend waande, onderschat en onbegrepen. De enige die hem door dik en dun trouw is gebleven was zijn echtgenote, met wie hij veertig jaar lang in ieder opzicht een duo heeft gevormd. Toen zijn geboortestad in 1940 door de Duitsers werd gebombardeerd, was ook zijn eigen leven al een puinhoop, en het gruwelijk lot heeft gewild dat hij op 3 maart 1945 dodelijk getroffen werd tijdens het Engelse bombardement van het Haagse Bezuidenhout. Hij was toen 75 jaar oud, verguisd door het onjuiste gerucht dat hem tot NSB'er had bestempeld. Hij had immers in zijn te lange carrière al zoveel wonderlijke dingen gezegd en gedaan, dat ook dit gerucht misschien op waarheid zou kunnen berusten. Het feit dat zijn jongste dochter onder haar eigen naam meewerkte aan het nationaal-socialistische radioprogramma 'Het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter' (Jacques van Tol), heeft daar geen goed aan gedaan. Het misverstand over zijn vermeende NSB-lidmaatschap leeft nog steeds voort, maar men zou hoogstens kunnen stellen dat hij (tevergeefs) met de nieuwe leiders heeft geflirt om, op zijn leeftijd, nog een come-back te bewerkstelligen. Hoe onbegrijpelijk Koos Speenhoffook is geweest, hoe tegenstrijdig hij zich ook vaak heeft geuit, hij verdient het niet om onrechtvaardig beschuldigd te worden.

Zijn rijke artistieke erfenis met klassiek geworden cabaretliedjes als Moeders brief, Opoe, Het broekie van Jantje en De schutters, is nog altijd een literaire bron voor eigentijdse dichter-zangers door de natuurlijke, heldere en direct aansprekende taal. Koos Speenhoff was een actuele troubadour, een non-conformistische volkspoëet, die uitgroeide tot een groot kleinkunstenaar en een kleine grootheid in de vaderlandse literatuur. Hij werd een moderne Bredero, een zingende Heijermans en een Nederlandse Bruant genoemd. Door zijn baanbrekende werk kan hij - samen met Eduard Jacobs en Jean-Louis Pisuisse - als een wezenlijke pionier van het Nederlandse cabaret worden beschouwd.

A: Collectie-Speenhoff in archief Nederlands Theater Instituut te Amsterdam; verzameling-Speenhoff onder beheer van Wim lbo, Amsterdam. Repertoireboeken en brieven in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Merendeel van de tekeningen in de Speenhoff-bundels, uitgegeven bij W.L. en J. Brusse, in Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum in Den Haag, waar van 20 juni tot en met 30 augustus 1980 een expositie is gehouden.

P: Liedjes, wijzen en prentjes (Rotterdam, ca. 1903-1921.10 dl. in 6 bd.); In de forten (Rotterdam, 1914); Honderd en tien krekelzangen (Amsterdam, 1918); De beste gedichten van J.H. Speenhoff. Verz. en ingel. door J. Greshoff. 1e dr. ('s-Gravenhage, [ca. 1918]). Opnieuw uitg. met inl. door Willem Wilmink ('s-Gravenhage, 1980); Daar komen de schutters ('s-Gravenhage, 1943).

L: Wim lbo. En nu de moraal van dit lied. Overzicht van 75 jaar Nederlands cabaret (Amsterdam [etc., 1970]); Alex de Haas, 't Was anders (Rotterdam [etc.], 1971); Wim lbo. En nu de moraal... (Alphen a/d Rijn, [1981]).

I: Website Rotterdammers.nl: http://www.rotterdammers.nl/kunst/afbeeldingen/Koos2.jpg [6-3-2007].

Wim lbo


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013