Kiewiet de Jonge, Herman Jacob (1885-1933)

 
English | Nederlands

KIEWIET DE JONGE, Herman Jacob (1885-1933)

Kiewiet de Jonge, Herman Jacob, koloniaal ambtenaar en journalist (Dordrecht 9-7-1885 - Bandoeng (Nederlands-Indië) 29-7-1933). Zoon van Hermannus Jacob Kiewiet (door naamstoevoeging bij KB van 15-11-1863 gewijzigd in Kiewiet de Jonge), leraar, later conrector van een gymnasium, en Helena Johanna van der Sande. Gehuwd op 29-1-1914 met Bertha Titia Jelgersma. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Kiewiet de Jonge, Herman Jacob

Herman Kiewiet de Jonge stamde uit een welgesteld Gronings geslacht. Zijn vader, een classicus die zich in 1874 als leraar in Dordrecht had gevestigd, was in 1898 een van de oprichters van het Algemeen Nederlandsch Verbond. De samenkomsten die deze vereniging in het ouderlijk huis hield - met prominente gasten als C.Th. van Deventer en H. Kern -, wekten bij Herman al vroeg belangstelling voor Indië en voor de Groot-Nederlandse gedachte. De in deze liberaal-intellectuele ambiance opgedane ervaringen zouden zijn levensloop sterk beïnvloeden.

Kiewiet de Jonge bezocht gedurende vier jaren het Dordtse gymnasium, waarvan zijn vader inmiddels conrector was geworden, en volgde daarna een opleiding bouwkundig tekenen aan de Haarlemse School voor Kunstnijverheid. Een staatsexamen gymnasium-ß stelde hem vervolgens vanaf 1908 in staat aan de Technische Hoogeschool te Delft bouwkunde te studeren. In 1911 behaalde hij hier de ingenieurstitel. Gedurende zijn studies begon hij zich te interesseren voor de theosofie en de Soefibeweging; in deze kringen ontmoette hij ook zijn toekomstige vrouw Titia, een dochter van de Leidse hoogleraar psychiatrie G. Jelgersma. In 1914 vestigde Kiewiet de Jonge de aandacht op zich met een publikatie getiteld Bouwschappen. Publiek-rechtelijke organisatie's van eigenaars van bouwterrein. Proeve tot oplossing van het stedelijk grond- en woningvraagstuk . Weliswaar werd deze studie door de Delftse afdeling bouwkunde vanwege de te weinig technisch-praktische en meer juridische aanpak als dissertatie afgewezen, maar zij kreeg in wetenschappelijke kring toch waardering om de hierin naar voren gebrachte oorspronkelijke denkbeelden en het helder verwoorde betoog.

In 1914 vertrok Kiewiet de Jonge naar Nederlands-Indië, waar hij een betrekking had aanvaard als leraar in de bouwkundige vakken aan de Koningin Wilhelminaschool te Batavia. Ook hier viel hij op, en in het wereldje van de koloniale intelligentsia gold hij spoedig als een jonge, veelbelovende 'savant'. Lang zou Kiewiet de Jonge niet in het onderwijs blijven. Belangstelling voor de theosofie en voor sociale problemen, alsmede zijn sympathie voor het associatiestreven in het toenmalige koloniale beleid brachten hem er begin 1916 toe het leraarschap te verruilen voor een functie bij de Algemeene Secretarie in Buitenzorg. Hier werd hij al spoedig aangesteld als commies-redacteur met de titel van adjunct-referendaris.

In deze nieuwe betrekking kreeg Kiewiet de Jonge bijzondere belangstelling voor economische en politieke vraagstukken, waarover hij in 1917 de studie De politiek der toekomst. Een wetenschappelijk onderzoek het licht deed zien. Hierin gaf hij aan hoe de algemeen-staatkundige ontwikkelingen zijns inziens na de Eerste Wereldoorlog dienden te verlopen. Ook hield hij zich bezig met interne aangelegenheden, zoals de inlandse nationalistische beweging, de decentralisatievoorstellen en de in 1918 opgerichte Volksraad. Kiewiet de Jonge toonde zich hierbij een voorstander van de denkbeelden van gouverneur-generaal J.P. graaf van Limburg Stirum (1916-1921) en pleitte voor een ontvoogdingsethiek en een hechtere samenwerking tussen autochtonen en Europese ingezetenen.

Erkenning van regeringszijde voor dit streven bleef niet lang uit. Aangezien de gouverneur-generaal en zijn adviseurs er belang bij hadden hun bedoelingen en maatregelen bij de Europeanen in de kolonie te verbreiden en te verduidelijken, zorgden zij ervoor dat Kiewiet de Jonge op 1 maart 1918 - hij was toen juist met eenjarig onbetaald verlof - werd benoemd tot hoofdredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad . Hoewel deze krant hierdoor het aanzien kreeg van officieuze regeringsspreekbuis, bleek Kiewiet de Jonge niet zonder meer bereid 'zijn pen te verkopen' (Koch, 113). Als hoofdredacteur gaf hij blijk van een grote kennis van zaken en een goed inzicht. Zowel het Indische bestuur als het door Den Haag ten aanzien van de kolonie gevoerde beleid werd door hem menigmaal in zijn in vlot proza geschreven kolommen aan scherpe kritiek onderworpen. Zelf beschouwde hij het Bataviaasch Nieuwsblad dan ook als 'het eenige Hollandsch orgaan der vooruitstrevenden' (Indische Stemmen , 16-3-1919). Niet iedereen was het echter eens met de door hem in zijn krant uitgedragen progressieve denkbeelden: op aandringen van de raad van commissarissen van het dagblad werd hij op 15 maart 1919 op staande voet uit zijn functie ontheven.

Kiewiet de Jonge keerde daarop terug naar de Algemeene Secretarie en werd met ingang van 1 september 1919 secretaris der Arbeidscommissie. Zijn publicistische werkzaamheden zette hij intussen voort. In juli 1919 trad Kiewiet de Jonge op als redacteur van het theosofisch getinte tijdschrift Indische Stemmen , dat twee maanden later opging in het progressieve weekblad De Taak . Kiewiet de Jonge werd mederedacteur en begon zijn sterk indocentrische stempel op dit blad te drukken. Zijn artikelen uit die tijd getuigden niet altijd van regeringsgezindheid en bleven pleiten voor spoedige Indische zelfstandigheid 'voor allen voor wie Indië het vaderland is, hetzij blijvend, hetzij voor beperkteren tijd' (De Taak , 18-10-1919). Met deze opvattingen verwierf hij zich faam als Indonesiërvriend. De meer behoudende Nederlandse persorganen zagen hem daarentegen als een van de vermaledijde ethici.

Medio 1921 repatrieerde Kiewiet de Jonge - eerst als verlofganger, later als non-actief ambtenaar - om aan de Leidse Universiteit rechten te studeren. Op 13 december 1923 kon hij aan zijn ingenieurstitel de meesterstitel toevoegen. Vervolgens trad hij toe tot de hoofdredactie van het dagblad De Telegraaf . Voor deze krant schreef hij de 'Kroniek', een op de voorpagina prijkende kolom, en interviewde hij verschillende buitenlandse staatslieden. De contacten met Indië bleven intussen bestaan, doordat Kiewiet de Jonge als Nederlands redacteur verbonden bleef aan De Taak en het secretarisschap vervulde van het comité 'Autonomie voor Indië'. Na een geschil met de eigenaar over al te rigoureuze bezuinigingsontslagen van lager personeel verliet hij De Telegraaf om zijn carrière in Nederlands-Indië te hervatten.

Eind 1926 was Kiewiet de Jonge terug in Buitenzorg als referendaris op het Kantoor voor Decentralisatie. In januari 1927 ging hij over naar het departement van Financiën in Batavia. Met ingang van 4 juli 1928 werd hij geroepen tot de belangrijke post van Regeeringsgemachtigde voor Algemeene Zaken bij de Volksraad. In deze hoedanigheid moest hij het beleid van de Indische regering verklaren en zo nodig verdedigen, een beleid dat - hoewel geleid door de 'ethische' gouverneur-generaal jhr. A.C.D. de Graeff (1926-1931) - toch overtuigd bleef van de noodzaak van een langdurige Nederlandse supervisie. Om zich aan deze uitgangspunten te conformeren, moet Kiewiet de Jonge een fikse draai naar rechts hebben gemaakt en eerder gekoesterde idealen hebben laten varen. Desondanks werd zijn benoeming gunstig ontvangen in de Maleis- en Chineestalige pers; de Nederlandse bladen toonden echter reserve.

Als Regeeringsgemachtigde kweet Kiewiet de Jonge zich in het algemeen op voorbeeldige, diplomatieke wijze van zijn veelal omstreden taak. Hij moest daarbij een weg zien te vinden in de doolhof van nationalistische aspiraties en verwachtingen, die al te vaak botsten met de meer behoudende belangen van het bestuursapparaat en de Europese bevolkingsgroep. Om tegemoet te komen aan De Graeffs concept van 'evolutionair nationalisme', zocht Kiewiet de Jonge contact met voormannen van het nationalisme als Dewantoro, Thamrin, Salim, Soetomo en Soekarno, die door hem in zijn huis in Weltevreden werden ontvangen. Eind 1929 dreigde De Graeffs politiek evenwel stuk te lopen op de revolutionaire agitatie van de Partai Nasional Indonesia (PNI) van Soekarno en de daaropvolgende repressieve maatregelen van de regering. Kiewiet de Jonge drong er bij die gelegenheid persoonlijk bij Soekarno op aan de situatie niet verder te laten escaleren, doch deze interventie mocht niet baten. Op 29 december van dat jaar werden Soekarno en andere PNI-leiders gearresteerd.

Samen met E. Gobée, waarnemend adviseur van Inlandsche Zaken, en J.J. Schrieke, directeur van Justitie, wist Kiewiet de Jonge de gouverneur-generaal over te halen Soekarno en zijn medegedetineerden door een Landraad te laten berechten in plaats van hun geruisloze internering, die de Raad van Indië en het Hoofdparket voorstonden. In de daaropvolgende rechtszaak gaf Kiewiet de Jonge blijk van de voor hem zo karakteristieke hoffelijkheid en van begrip voor een politieke tegenstander door, vóór zijn getuigenis à décharge, Soekarno de hand te schudden. Dit gebaar veroorzaakte grote opschudding in Indië en in het moederland. De minister van Koloniën, S. de Graaff, eiste een reprimande, waarop Kiewiet de Jonge zelf zijn ontslag als Regeeringsgemachtigde aanbood. Beide voorstellen werden evenwel door de gouverneur-generaal verworpen, waarmee deze zijn vertrouwen in zijn medewerker bevestigde. De Graeff had hiervan reeds blijk gegeven door Kiewiet de Jonges aanbevelingen over de nieuwe Volksraadsamenstelling, neergelegd in een lijvige en weldoordachte analyse, in grote lijnen te volgen. Het gratiëren van Soekarno moet eveneens in dit licht worden bezien.

Ook tijdens zijn laatste jaren in dienst van de Indische regering - nu onder de conservatieve gouverneur-generaal jhr. B.C. de Jonge (1931-1936) - verzette Kiewiet de Jonge heel veel werk. Gehandhaafd als Regeeringsgemachtigde kreeg Kiewiet de Jonge andere taken te vervullen, nu vooral op economisch gebied. In oktober 1932 werd hij van lid tot secretaris van de Economische Commissie benoemd, een maand later gevolgd door zijn aanstelling als hoofdambtenaar van economische zaken op het departement van Landbouw, Handel en Nijverheid. Ten einde zich geheel te wijden aan deze economische werkzaamheden werd hij in juni 1933 ontheven uit zijn ambt van Regeeringsgemachtigde. Veel heeft hij op dat terrein niet meer kunnen verrichten. Enkele weken later werd hij dood aangetroffen in een hotelkamer te Bandoeng.

Herman Kiewiet de Jonge was een hoffelijke en erudiete man, die zich als publicist en ambtenaar met talent en toewijding van zijn taken wist te kwijten. Het Indonesische emancipatiestreven trad hij steeds met begrip en sympathie tegemoet. Dat Kiewiet de Jonge daarom miskenning, zelfs verguizing, ten deel viel, doet niets af aan zijn heldere inzicht en geavanceerde politieke denken. Integendeel, het kenmerkt hem als een bijzondere persoonlijkheid.

A: Archief-H.J. Kiewiet de Jonge in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties o.a.: 'Bestuurs-hervorming en locaal belang. Praeadvies', in Locale Belangen 6 (1918/1919) 689 e.v.; 'De tweede Volksraadzitting', in De Gids 83 (1919) II, 97-126, 328-366; Indische bestuurs-hervorming (Batavia [etc.], 1920).

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën in o.a. Bataviaasch Nieuwsblad , 31-7-1933; De Telegraaf , 30-7-1933, 1-8-1933; De Ingenieur 48 (1933) A.259-260; Urania. Officieel orgaan van het Nederlandsch Astrologisch Genootschap 27 (1933) 145: Encyclopædie van Nederlandsch-Indië. Supplement VII (2e dr.; 's-Gravenhage, 1935) 1427-1428; D.M.G. Koch, Verantwoording. Een halve eeuw in Indonesië ('s-Gravenhage [etc.], 1956); Het onderwijsbeleid in Nederlands-Indië 1900-1940. Een bronnenpublikatie . Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1963); De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Tweede stuk 1927 - 1942 . Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1965); Herinneringen van jhr.mr. B.C. de Jonge, met brieven uit zijn nalatenschap . Uitgeg. door S.L. van der Wal [Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, 5e serie, nr. 1] (Utrecht, 1968); De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië . III: 1928 - aug. 1933 . Bew. door R.C. Kwantes (Groningen, 1981); B.B. Hering, 'The private papers of ir.mr. H.J. Kiewiet de Jonge', in Southeast Asia Research Materials Group Newsletter 37 (1989) 1-6; idem, Mr.ir. H.J. Kiewiet de Jonge and the Indonesian nationalist movement of the 1920's and early 1930's (Townsville, 1991); 'Two cultures? Het geval Kiewiet de Jonge', in H. Baudet [e.a.], De lange weg naar de Technische Universiteit Delft (2 dln.; 's-Gravenhage, 1993) II, 657-660.

I: De Ingenieur 48 (1933) A.259.

B.B. Hering


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013