Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

MEERMAN, Johan, heer van Dalem en Vuren (1771), Comte de l'Empire (17-4-1812), bestuurder en letterkundige ('s-Gravenhage 1-11-1753 - 's-Gravenhage 19-8-1815). Zoon van Gerard Meerman, baron van het Heilige Roomse Rijk (1769), heer van Dalem en Vuren (1771), stadspensionaris van Rotterdam, en Maria Catharina Buijs. Gehuwd op 11-9-1785 met Anna Cornelia Mollerus (1749-1821), dichteres. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Johan Meerman was een telg uit een Delfts-Leids regentengeslacht met Orangistische sympathieën. Als enige zoon van Gerard Meerman, van 1748 tot 1766 stadspensionaris van Rotterdam, bezocht hij aldaar de Latijnse School, waarvan vader Meerman curator was. Al op tienjarige leeftijd vertaalde Johan het blijspel Le mariage forcé van Molière, dat in 1764 in druk verscheen. Van 1764 tot 1767 genoot hij privé-onderwijs. In 1767 – nog voor hij veertien jaar oud was – vertrok hij, onder begeleiding van zijn gouverneur, naar Leipzig om aan de universiteit aldaar te studeren. In 1769 keerde hij terug naar zijn ouders, die inmiddels de Rotterdamse Boompjes hadden verruild voor het zogeheten 'Huis aan den Boschkant', een monumentaal pand gelegen aan de Haagse Prinsessegracht op de hoek van het Korte Voorhout. In oktober van hetzelfde jaar vertrok Johan alweer met zijn gouverneur naar Göttingen, waar hij aan de universiteit twee jaar lang colleges volgde, onder anderen bij de classicus en archeoloog Christian Gottlob Heyne. Door deze ervaringen ontwikkelde de jonge Meerman een brede belangstelling en werd hij zich bewust van de culturele en wetenschappelijke betrekkingen tussen de Republiek en het buitenland. Door zijn reislust beschikte Johan dus al op jeugdige leeftijd over een aanzienlijke culturele bagage. Later zou hij schrijven dat reizen behoorde tot de 'Burger- of Regentenplichten' (geciteerd in: Van Heel (1984), 55). Vandaar dat hij zijn indrukken steeds vastlegde in gedrukte reisverslagen.

Johan keerde in 1771 terug naar zijn ouders in Den Haag. De gezondheid van zijn vader was zwak, en hij zou in december van dat jaar overlijden. Johan – op dat moment achttien jaar oud – zou bij zijn volwassenheid diens grote vermogen en omvangrijke boekenverzameling erven. Op advies van zijn vader had hij op 16 september zijn studie voortgezet aan de universiteit te Leiden, waar hij op 13 mei 1774 promoveerde tot meester in de rechten op een proefschrift getiteld Specimen iuris publici inaugurale de solutione vinculi, quod olim fuit inter S.R. Imperium et Foederati Belgii Respublicas. Na zijn promotie ondernam Johan met zijn gouverneur een grand tour naar Groot-Brittannië, Frankrijk, Zwitserland, Italië, Duitsland en Oostenrijk, waar hij kennis maakte met vele geleerden en kunstenaars.

Na zijn terugkeer in Den Haag in de zomer van 1776 trok Meerman in bij zijn moeder in het huis aan de Prinsessegracht. Hier begon hij te schrijven aan een reeks (rechts)historische en letterkundige werken. Een van zijn belangrijkste publicaties was een Geschiedenis van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, die tussen 1783 en 1797 in vier delen zou verschijnen. Deze gedegen studie baseerde hij zoveel mogelijk op originele bronnen en publicaties, onder meer uit de boekencollectie van stadhouder Willem V en de Vaticaanse bibliotheek. Dankzij deze studies raakte Meerman goed bekend met het Noord-Nederlandse bibliotheekwezen, voor zover dat al bestond.

Tussen 1780 en 1795 was Meerman in uiteenlopende hoedanigheden betrokken bij tal van genootschappen op het terrein van wetenschap en kunst, zoals het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Konsten en Wetenschappen, de Oeconomischen Tak der Hollandsche Maatschappij in Haarlem, de Haagsche Teeken-Academie, het Kunstlievende Genootschap in Rotterdam, de Haarlemsche Maatschappij der Wetenschappen, de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.

De wetenschapper ambieerde ook een bestuurlijke carrière. Met het oog hierop probeerde Meerman eerst omstreeks 1780 door aankoop van een grietenij voet aan de grond te krijgen in Friesland. Toen dat mislukte, trachtte hij het poorterschap van Leiden te kopen om zo kans te maken op een zetel in de vroedschap van deze stad met stem in de Staten van Holland. Ook deze poging liep echter op niets uit: zolang de Patriotten in Leiden de dienst uitmaakten, was er voor de Oranjegezinde Meerman geen plaats. Hij had dus alle tijd om te reizen, zoals In 1786 naar Groot-Brittannië en Ierland. Deze reis maakte hij samen met Antje Mollerus - de weduwe van Abraham Perrenot, raad en rekenmeester van de domeinen van prins Willem V - met wie hij een jaar eerder in het huwelijk was getreden. Dit tot grote opluchting van zijn moeder, die vreesde dat haar inmiddels 31-jarige zoon vrijgezel zou blijven.

Nadat de Stadhouder in september 1787 dankzij een Pruisische militaire interventie weer in al zijn bevoegdheden was hersteld, kon Meerman aan zijn bestuurlijke loopbaan beginnen. Een wetsverzetting op 6 februari 1788 zuiverde de Leidse vroedschap van Patriotten en maakte hier eindelijk een zetel voor hem vrij. Namens Leiden - waar Meerman en zijn vrouw zich datzelfde jaar aan het Rapenburg (in het latere Sieboldhuis) vestigden - kreeg hij vanaf die datum tot 1 mei 1788 zitting in de Provinciale Rekenkamer. Daarna was hij tweemaal schepen van Leiden. Vervolgens maakte hij van 1 mei 1793 tot januari 1795 deel uit van de Hollandse deputatie ter Staten-Generaal. Tussendoor reisde hij met zijn echtgenote in 1791 en 1792 door Duitsland, Oostenrijk, het vasteland van Italië, Sicilië en Malta. Sinds 1794 woonde het echtpaar 's winters in het Haagse 'Huis aan den Boschkant'; in de zomer vertoefden zij op hun buitenplaats onder Leiden.

Met de Bataafse Revolutie van januari 1795 werd Meerman uit al zijn ambten gezet en zelfs enige tijd onder arrest geplaatst in zijn Haagse woning. Naar verluidt, vielen hem tijdens de omwenteling 'de grievendste onaangenaamheden en de schandelijkste beledigingen' ten deel (Te Water, 19). Opnieuw maakte hij van zijn ambteloosheid gebruik om te schrijven, maar bovenal om te reizen. Van juni 1797 tot eind september 1800 ondernamen hij en zijn echtgenote een lange reis door Denemarken, Zweden, Rusland, Polen en Pruisen. De tijdens deze reis opgedane ervaringen zouden van groot belang zijn voor de hervormingen die de bestuurder Meerman later in carrière op het gebied van kunst en cultuur zou doorvoeren.

Tijdens zijn omzwervingen door Europa bezocht Meerman een groot aantal bibliotheken. In zijn gedrukte reisbeschrijvingen noemt hij er meer dan zestig bij naam waarover hij zich zeer kritisch uitlaat. Hij ergerde zich bijvoorbeeld aan de ontoegankelijkheid van grote instituten zoals de Vaticaanse bibliotheek, en vond dat veel bibliotheken hun collectie slecht gecatalogiseerd hadden en gebrekkig conserveerden.

Ondertussen was het nieuwe bewind in rustiger vaarwater gekomen en trachtten de Bataafse bestuurders ook Prinsgezinden bij het bestuur te betrekken. In 1801 weigerde Meerman nog een benoeming tot lid van het Wetgevend Lichaam. Maar nadat de in ballingschap levende Willem V - in de zogeheten brieven van Oranienstein van 26 december 1801 - afstand had gedaan van zijn rechten als Stadhouder en zijn aanhangers van alle verplichtingen jegens hem had ontslagen, was er voor Meerman en vele andere Oranjegezinde regenten geen beletsel meer om opnieuw plaats te nemen op het pluche.

Begin juni 1802 werd Meerman lid van het Departementaal Bestuur van Holland, een functie die hij precies vijf jaar zou uitoefenen. Als voorzitter van dit college was hij een van degenen, die Lodewijk Bonaparte op 18 juni 1806 bij Moerdijk verwelkomden, nadat deze door zijn keizerlijke broer op de troon van het Koninkrijk Holland was geplaatst. Hoewel Meerman allesbehalve enthousiast was over deze aanstelling, zou hij in 1807 toch het honorair kamerheerschap aan het hof van de nieuwe Koning aanvaarden, nadat hij eerder de functie van dienstdoend kamerheer had geweigerd. Van bescheiden lokaal en provinciaal regent werd Meerman nu een van de aanzienlijkste bestuurders van het land. Op 16 juli 1806 kreeg hij zitting in de Staatsraad bij de sectie wetgeving en algemene zaken: tot 14 februari 1807 in buitengewone dienst, daarna in gewone dienst tot 28 mei 1807 en vervolgens wederom in buitengewone dienst totdat hij op 1 januari 1808 dit college verliet.

Belangrijker was echter dat Meerman op 22 januari 1807 werd benoemd tot directeur-generaal van Openbaar Onderwijs en Wetenschappen, sinds 14 oktober 1807 van Wetenschappen en Kunsten. Dit nieuw opgerichte directoraat-generaal maakte deel uit van het departement van Binnenlandse Zaken, dat werd geleid door Meermans zwager Johan Hendrik Mollerus. Meerman kreeg de instructie zich te verdiepen in 'alles wat den Staat der Wetenschappen in dit Koningrijk betreft: inzonderheid den toestand der geleerde en letterkundige genootschappen, der Universiteiten, gijmnasien, Latijnsche Scholen, de voornaamste Bibliotheken en andere verzamelingen in het vak der Wetenschappen'. (Nat. Archief, Dept. Binnenl. Zaken 1797-1813, inv.nr. 896, fol. 107).

Als directeur-generaal zou Meerman tijdens het Koninkrijk Holland zijn stempel drukken op de Nederlandse cultuurpolitiek. Samen met zijn medewerkers haalde hij zijn inspiratie uit Frankrijk, Duitsland en Italië, waarbij hij profiteerde van zijn internationale netwerk. Koning Lodewijk besloot bovendien om hem in oktober 1807 verantwoordelijk te maken voor de schone kunsten. Directeur-generaal Carel Gerard Hultman, die hiermee tot dan toe was belast, bleek namelijk een weinig voortvarend bestuurder. Meermans portefeuille werd zodoende aanzienlijk uitgebreid. Samen met zijn kleine staf werd hij belast met de reorganisatie van het middelbaar onderwijs, de athenea en universiteiten, de wetenschapsbeoefening en alle nationale culturele instellingen. Begrijpelijkerwijs kon de nieuwe directeur-generaal niet aan deze hooggespannen verwachtingen voldoen. Nadat in maart 1808 een plan van Meerman en de predikant en historicus Martinus Stuart om de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te verheffen tot een nationaal wetenschappelijk instituut was mislukt, besloot de Koning om het onderwijs en de wetenschapsbeoefening door de Amsterdamse hoogleraar wis- en natuurkunde Jean Henri van Swinden te laten hervormen.

Meerman kon zich zodoende meer richten op de bevordering van kunst en wetenschap, terreinen waarop hij ook in genootschappelijk verband nog steeds actief was. Zo was hij lid van de Maatschappij van Natuur- en Letterkunde 'Diligentia' in Den Haag en van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte in Rotterdam. Op 4 mei 1808 benoemde koning Lodewijk hem tot lid der tweede klasse van het prestigieuze Koninklijk Instituut van Wetenschappen en Schoone Kunsten in Amsterdam.

Vanzelfsprekend had de bibliofiel Meerman als directeur-generaal bijzondere aandacht voor de nationale boekencollectie. Al onder de Bataafse Republiek was de stadhouderlijke boekerij omgevormd tot een nationale instelling. Meerman was verantwoordelijk voor werkelijke ontplooiing van wat inmiddels de Koninklijke Bibliotheek heette. Deze was nu officieel voor iedereen toegankelijk, maar vanwege de verhuizing van Den Haag naar Amsterdam zou zij pas tijdens de periode van de inlijving bij Frankrijk (1810-1813) echt openbaar worden. Gedurende het vierjarige bewind van koning Lodewijk vertienvoudigde de collectie van de Koninklijke Bibliotheek. Meerman wist tal van zeldzame handschriften en verzamelingen te verwerven.

Evenals de boekencollectie van de voormalige stadhouder waren diens schilderijen ondergebracht in een nieuwe nationale instelling. Onder koning Lodewijk kreeg deze 'Nationale Konst-Gallerij' de naam Koninklijk Museum. Als directeur-generaal had Meerman voor het museum de beschikking over een jaarlijks budget van 10.000 gulden, terwijl hij voor speciale aankopen extra subsidie mocht aanvragen. Hij verwierf op veilingen voor maar liefst 100.000 gulden aan kunstwerken voor het nationale museum, dat werd gehuisvest in het Paleis op de Dam. Vooral de collectie zeventiende-eeuwse meesters groeide aanzienlijk door de aankoop van de collectie-Van der Pot van Groeneveld in 1808 en de collectie-Van Heteren Gevers in 1809.

Verder was Johan Meerman als directeur-generaal verantwoordelijk voor de zogeheten 'kwekelingen' die voor de duur van vier jaar op kosten van de staat in Rome en Parijs in de leer mochten bij vooraanstaande kunstenaars. Vijftien jonge kunstenaars – vier historieschilders, vier landschapschilders, drie architecten, een graveur en een beeldhouwer – werd de mogelijkheid geboden deze studiereis te maken, als Nederlandse variant van de Franse 'Prix de Rome'. Voor Meerman was dit initiatief van essentieel belang. Als uitgesproken aanhanger van het classicisme was hij ervan overtuigd dat de kwekelingen zich moesten bekwamen in meer 'verheven' genres dan de traditioneel Nederlandse, zoals stillevens en landschappen. Hij betichtte de Nederlandse kunstenaars en kunstcritici van bekrompenheid; zij zouden er daarom goed aan doen het venster naar Europa open te zetten.

Onderdeel van dit regeneratieprogramma waren de plannen voor de oprichting van een Kunstacademie. Daartoe wendde Meerman zich onder anderen tot Heyne bij wie hij een kleine veertig jaar eerder nog college had gevolgd en die hij in 1791 met een bezoek had vereerd. De kunstacademie kwam door een verschil van opvatting echter niet van de grond. Lodewijk was van mening dat de Academie van Schone Kunsten een integraal onderdeel moest gaan uitmaken van het Koninklijk Instituut. Meerman daarentegen zag de geplande academie vooral als een opleidingscentrum dat wellicht kon worden verbonden aan de vierde klasse van het Koninklijk Instituut, maar er niet ondergeschikt aan mocht worden gemaakt. Franse ideeën over staatsinmenging in de schone kunsten botsten hier met Nederlandse twijfels over de mate van overheidsinvloed.

Met de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk begin juli 1810, kwam er welbeschouwd een einde aan Meermans bestuurlijke loopbaan. Dat jaar was voor hem in ieder geval niet goed begonnen, omdat de dichter Willem Bilderdijk in het tijdschrift Schouwburg van in- en uitlandsche Letter- en Huishoudkunde zijn jongste, zesdelige reisverslag Eenige berichten omtrent het Noorden en Noord-Oosten van Europa (1804-1806) zeer hatelijk besprak, en - erger nog - de gedichten van zijn vrouw bekritiseerde. Meerman liet de minister van Politie het blad tijdelijk verbieden en probeerde de Koning later tevergeefs tot verdere represailles te bewegen.

Keizer Napoleon benoemde Meerman op 30 december 1810 tot een van de zes 'Hollandse' leden van de Franse Senaat. Hij verkreeg daarmee op 17 april 1812 de titel van 'Comte de l'Empire' ('Comte sénateur'). Meerman en zijn medewerkers bij het directoraat-generaal van Openbaar Onderwijs, Wetenschap en Schone Kunsten bleven formeel in dienst tot 1 september 1810. Pas daarna zou hij meestentijds in Parijs verblijven. Hier kon hij zich nog inspannen voor de belangen van zijn vaderland. Zo leden de universiteiten in de 'Hollandse departementen' grote financiële schade aangezien ze - evenals alle andere scholen - sinds januari 1811 geen geld meer ontvingen van het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. Bovendien moesten zij de lasten dragen van de docenten van de opgeheven universiteiten in Harderwijk en Franeker, die overigens koppig doorgingen met college geven. Meerman wist de bestuurders in Parijs zover te krijgen dat de Nederlandse docenten een wachtgeld werd toegezegd van vijftig procent van hun laatst verdiende loon.

Senator Meerman was allerminst een bewonderaar van de Franse Keizer. Zo hield hij in zijn gedicht Montmartre uit 1812 Napoleon zelfverzekerd voor dat diens roem mede afhing van de 'Hollandse departementen'. Nadat Parijs eind maart 1814 in handen van de geallieerden was gevallen, vertrok Meerman op 16 november naar Den Haag, waar zijn gezondheid snel achteruitging. Hij stierf in 1815 op 61-jarige leeftijd in zijn 'Huis aan den Boschkant'.

Meerman liet zijn boekencollectie na aan de stad Den Haag, die evenwel het aanbod uit financiële overwegingen afsloeg. Het was Meermans achterneef Willem Hendrik Jacob baron van Westreenen van Tiellandt die in 1824 een aanzienlijk deel van de verzameling wist aan te kopen. Bij zijn overlijden in 1848 legateerde de baron de boekencollectie aan de Nederlandse staat; het boekhistorische Museum Meermanno-Westreenianum zou in 1852 zijn deuren openen.

Tegenwoordig geniet Johan Meerman in de eerste plaats bekendheid als bibliofiel, vooral dankzij het naar hem vernoemde Haagse museum. Toch lag zijn betekenis ook op bestuurlijk vlak. Als bestuurder met een aanzienlijk internationaal netwerk heeft hij getracht het Nederlandse culturele leven Europese allure te geven. Zijn grote kennis heeft bijgedragen aan de succesrijke ontplooiing van nationale instellingen als de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum. Samen met Van Swinden ontwierp Meerman onder koning Lodewijk een degelijk onderwijs-, wetenschaps- en cultuurbeleid, dat na 1815 in grote lijnen zou worden overgenomen door het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Aangezien Meerman is gestorven voordat hij onder Willem I wellicht een nieuwe functie heeft kunnen bekleden, is de herinnering hieraan vervaagd.

Archivalia:
Familiepapieren Meerman in Museum Meermanno / Huis van het Boek (voorheen Museum Meermanno-Westreenianum). Hierin o.a. de autobiografische 'Aantekeningen van den heer J. Meerman wegens de voornaamste époques in zijn leven' over de jaren 1753-1814.

Publicaties:
Een overzicht van 'Gedrukte werken van Johan Meerman' in: J.H. Kernkamp, Inventaris der familiepapieren Meerman, Van Westreenen, Dierkens en Van Damme aanwezig in het Museum Meermanno-Westreenianum ('s-Gravenhage 1948) 34-36. Verder: Jos van Heel, 'Johan Meerman, collector, politician and traveller. The Malta part of his 1791-1792 grand tour journal', in Malta from the Hague, in the 18th century. Two Dutch travel journals by W.H. van Nieuwerkerke and Johan Meerman (1778, 1792). Onder red. van Adrian Strickland ('s-Gravenhage 2005) 103-145 [Bevat de oorspronkelijke Nederlandse tekst en een Engelse vertaling].

Literatuur:
'Literatuur over het leven en werk van Johan Meerman', in: J.H. Kernkamp, Inventaris der familiepapieren Meerman, Van Westreenen, Dierkens en Van Damme aanwezig in het Museum Meermanno-Westreenianum ('s-Gravenhage 1948) 37-40. Verder:

  • J.W. te Water, levensbericht in: Handelingen van de jaarlijksche vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde (Leiden 1816) 5-43.
  • H. Brugmans, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 956-958.
  • H. Hijmans, Het Huis aan den Boschkant, op den hoek van het Korte Voorhout te 's-Gravenhage ('s-Gravenhage 1922) 36-43
  • H. Hijmans, 'De verkooping van Meerman's boekerij 8 juni - 3 juli 1824', in: Het Boek 13 (1924) 225-234.
  • A.J. de Mare, 'De boekerij van mr. Johan Meerman', in: Jaarboek Die Haghe (1924) 363-389.
  • Jos van Heel, 'Johan Meerman op reis', in: Herinneringen aan Italië. Kunst en toerisme in de 18de eeuw. Onder red. van Ronald de Leeuw (Zwolle 1984) 55-61.
  • R.E.O. Ekkart, Catalogus van de schilderijen in het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum ('s-Gravenhage 1987).
  • P.W. Klein, 'Johan Meerman (1753-1815). Conservatief aan de kantlijn', in: Mensen van de nieuwe tijd. Een liber amicorum voor A.Th. van Deursen. Onder red. van M. Bruggeman [e.a.] (Amsterdam 1996) 399-413.
  • Ellinoor Bergvelt, Pantheon der Gouden Eeuw. Van Nationale Konst-Gallerij tot Rijksmuseum van Schilderijen (1798-1896) (Zwolle 1998).
  • Amy van Marken, 'Johannes Meerman. A Dutch traveller to the North and North-East of Europe (1797-1800)', in: Baltic affairs. Relations between the Netherlands and North-Eastern Europe 1500-1800. Onder red. Van J.Ph.S. Lemmink en J.S.A.M. van Koningsbrugge (Nijmegen 1990) 229-248.
  • Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt, 1800. Blauwdrukken voor een samenleving ('s-Gravenhage 2001)
  • Jos van Heel, 'De grafmonumenten van Gerard en Johan Meerman in de Pieterskerk te Leiden', Leids Jaarboekje 93 (2001) 73-88.
  • Jos van Heel, 'Baron van Westreenen en de Meerman-collectie', in: Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 10 (2002) 36-99.
  • De Grand-Tour. De reizen van Gerard en Johan Meerman in de achttiende eeuw [Themanummer van Incontri 17 (2002) afl. 2] (Amsterdam [etc.] 2002).
  • Jos van Heel, 'From Venice to Paris, The Hague, London, Oxford, Berlin ... The odyssey of the manuscript collection of Gerard and Johan Meerman', in: Books on the Move. Tracking Copies through Collections and the Book Trade. Onder red. van Robin Myers [e.a.] (New Castle [etc.] 2007) 87-111.
  • Martijn van der Burg, Nederland onder Franse invloed. Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd, 1799-1813 (Amsterdam 2009).

Portret:
Jasper-ware (1786) door John Flaxman en Joshua Wedgwood; Collectie Museum Meermanno / Huis van het Boek te 's-Gravenhage (afgebeeld in: J.H. Kernkamp, Inventaris der familiepapieren Meerman... ('s-Gravenhage 1948) t/o p. 27).

Martijn van der Burg

laatst gewijzigd: 12/11/2013