Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

APOSTOOL, Cornelis, diplomaat en museumdirecteur (Amsterdam 6-8-1762 – Amsterdam 10-2-1844). Zoon van Jan Apostool, koopman, en Cornelia de Witte. Hij was ongehuwd.

Cornelis Apostool werd geboren als zoon van een doopsgezinde Amsterdamse handelaar in huiden en cacao. Hij was de op één na jongste van twaalf kinderen, van wie er zes op jeugdige leeftijd stierven. Cornelis kreeg in Delft onderwijs bij een Franse schoolmeester, waar de basis voor zijn goede talenkennis werd gelegd. Hierna ging hij in Rotterdam in de leer bij een goud- en zilverwinkelier. Na zijn terugkomst in Amsterdam bezocht Cornelis van 1784 tot en met 1786 de Stadsteekenakademie, als leerling van Hendrik Meyer, indertijd een bekend schilder en tekenaar van landschappen.

Samen met Meyer reisde Apostool in 1786 naar Groot-Brittannië. Hij vestigde zich hier metterwoon om er, hetzij in de handel hetzij als kunstenaar, zijn brood te verdienen. Het werd het laatste: hij vervaardigde artistiek hoogwaardige aquatinten naar schilderijen en tekeningen van anderen. Dat Apostool slechts een dilettant zou zijn geweest – zoals in de literatuur wel wordt gesteld – is daarom zeker niet juist.

In de laatste jaren van de achttiende eeuw vervulde Apostool een aantal diplomatieke functies. Zo was hij vanaf omstreeks 1793 commissaris-generaal van Commercie in Londen. Na de Bataafse Revolutie was hij in deze stad als Bataafs commissaris belast met het uitwisselen van krijgsgevangenen. Vervolgens was hij vier jaar lang, van 17 april 1798 tot 6 december 1802, commies tekenaar bij het Agentschap van Inwendige Politie en Waterstaat, sinds 31 augustus 1802 Raad van Binnenlandse Zaken geheten. Op 11 oktober 1802 werd Apostool opnieuw aangesteld als commissaris-generaal der Commercie in Londen. Hij probeerde toen een aantal daar aan de ketting liggende Bataafse schepen vrij te krijgen.

In 1806 werd Apostool door raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck benoemd tot secretaris van de regering in Oost-Indië. De reis daarheen vergde – vanwege de oorlogsomstandigheden – een omweg via New York. Daar bereikte de commissieleden het bericht dat Lodewijk Bonaparte in juni 1806 koning van Holland was geworden, waardoor voortzetting van de tocht naar Indië zinloos werd geacht.

Na in 1807 te zijn teruggekeerd in het vaderland werd Apostool op 10 oktober van dat jaar benoemd tot secretaris van de Bataafse legatie in het Koninkrijk Napels. Lang zou hij daar niet blijven, want nog geen jaar later, op 25 augustus 1808, werd hij benoemd tot de eerste directeur van het Koninklijk Museum in Amsterdam. De aanleiding tot deze benoeming is onbekend, maar de combinatie van diplomatieke vaardigheden en een praktische kennis van de beeldende kunsten zal daarbij zeker een rol hebben gespeeld. Het was toentertijd heel gebruikelijk kunstenaars tot museumconservator of -directeur te benoemen. Apostool zelf dacht aan een complot om hem – ten gunste van een ander – zijn secretarispost in Napels te ontnemen, zodat hij de benoeming onder enig protest aanvaardde.

Begin 1809 begon Apostool in zijn nieuwe functie. Het museum was gevestigd in enkele vertrekken op de tweede verdieping van het Paleis op de Dam in Amsterdam, sinds april 1808 koning Lodewijks nieuwe residentie. Hij trof een collectie schilderijen aan die bescheiden van omvang en beperkt van inhoud was. Het aandeel van de voormalige stadhouderlijke verzamelingen bestond vooral uit stukken die vanwege hun voorstelling van belang werden geacht voor de vaderlandse geschiedenis, waaronder veel portretten. Daarentegen waren recente aanwinsten – zoals het kabinet-Van der Pot (1808) en het kabinet-Van Heteren Gevers (1809) – juist om hun kunstwaarde aangekocht. Bovendien had het museum zeven omvangrijke schilderijen uit het bezit van de stad Amsterdam in bruikleen, waaronder de Schuttersmaaltijd in de Voetboogdoelen te Amsterdam (1648) van Bartholomeus van der Helst en Rembrandts Nachtwacht (1642). Tot slot was er een klein maar jaarlijks groeiend aantal schilderijen van ‘leevende meesters’.

Als directeur wilde Apostool de collectie graag uitbreiden met goede stukken van Italiaanse en Franse kunstenaars, maar gebrek aan financiële middelen belette hem deze ambitie te verwezenlijken. Noodgedwongen beperkte hij het verzamelterrein daarom tot de Hollandse en Vlaamse schilderkunst. Daarbij was Apostools beleid erop gericht dat het museum van iedere belangrijke kunstenaar – met de zeventiende- en achttiende-eeuwse handboeken als die van Karel van Mander en Arnold Houbraken als criterium – ‘iets kapitaals’ diende te bezitten.

Apostools vooraanstaande positie in het kunstleven werd officieel bevestigd door zijn benoeming op 1 mei 1810 tot lid van Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, dat twee jaar eerder door koning Lodewijk naar Frans voorbeeld was opgericht. Hij ging hier deel uitmaken van de Vierde Klasse – die zich bezighield met de schone kunsten – en meer in het bijzonder van de sectie schilderkunst, later ook die der architectuur. Overigens zullen bij zijn benoeming veel meer zijn organisatorische dan zijn artistieke kwaliteiten een rol hebben gespeeld. In 1816-1820, 1822-1823 en 1830-1833 was Apostool voorzitter van de Vierde Klasse.

De taken van de ongeveer twintig leden van de Vierde Klasse waren aanzienlijk. Zij organiseerden de tweejaarlijkse ‘Tentoonstelling van Leevende Meesters’, schreven elk jaar een prijsvraag uit in één der takken van kunst en hielden vanaf 1811 zelf lezingen en kunstbeschouwingen. Van de laatstgenoemde nam Apostool er 34 – een vijfde van het totaal – voor zijn rekening, in hoofdzaak gewijd aan prenten uit de verzameling van het museum. Vanaf 1817 hadden de leden van de Vierde Klasse bovendien het toezicht op het tekenonderwijs. Daarnaast eisten ook incidentele kwesties veel tijd van de leden op, zoals de oprichting van een gedenkzuil op de Mont Cenis in de Alpen ter ere van Napoleon in 1813. De vergevorderde plannen hiertoe waren echter weldra achterhaald door de val van de Franse Keizer.

De anti-Franse omwenteling van november 1813 bracht Apostool taken van een geheel andere aard. Zo werd hij, naast zijn museale en culturele werkzaamheden, belast met het toezicht op de voedselvoorziening van de rondom Amsterdam gelegerde troepen. Tevens werd hij in 1813 benoemd tot secretaris van het Amortisatie-Syndicaat, een puur organisatorische functie, die hij tot in 1823 zou vervullen.

Aangezien Apostool diplomatiek talent en kunstkennis combineerde, plaatste de nieuw aangetreden Oranjevorst Willem I hem in augustus 1815 aan het hoofd van een vierkoppige delegatie die naar Parijs reisde om daar de Nederlandse kunstschatten terug te vorderen die door de Fransen in 1795 en 1812 waren meegenomen. Voor een belangrijk deel slaagde deze missie, al bleven 74 van de 200 schilderijen in Frankrijk achter. De naar Nederland teruggebrachte kunstwerken zouden de kern vormen van het door koning Willem I gestichte Koninklijke Kabinet van Schilderijen in het Haagse Mauritshuis. Dat Apostool zich terdege bewust was van de prestatie die hij in Parijs had geleverd, blijkt niet alleen uit zijn zeer uitvoerige verslag van het verloop van de missie aldaar, maar ook uit zijn (waarschijnlijk) naar aanleiding van deze gebeurtenis door mededelegatielid en schilder Charles Howard Hodges vervaardigde portret. Het toont hem op het hoogtepunt van zijn carrière.

Tot de uit Parijs teruggehaalde kunstwerken behoorde ook de in totaal 10.243 stadhouderlijke prenten. Dit had tot gevolg dat Apostools directeurstaak in 1816 werd uitgebreid met die van het beheer van het Prentenkabinet. De prentkunst had overigens zijn grote belangstelling, en hij gold op dit terrein als de deskundige bij uitstek. Niet alleen was Apostool – eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de achttiende eeuw – zelf actief geweest als grafisch kunstenaar, ook kon hij op dit vlak ten dele zijn verzamelambities kwijt: de financieel onbereikbare buitenlandse schilderkunst kon immers wel in de vorm van reproductiegrafiek worden verworven.

Al in 1812, in de nadagen van de inlijving bij Frankrijk, was besloten het museum, dat nog steeds in het Paleis op de Dam was gehuisvest, onder te brengen in het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal, het grootste grachtenhuis van Amsterdam. Onder Koning Willem I spande Apostool zich tot het uiterste in dit voornemen alsnog verwezenlijkt te krijgen. En niet zonder succes: nadat het monumentale pand was verbouwd, kon de verhuizing van de schilderijenverzameling en het Prentenkabinet in 1817 plaatshebben. Het Rijks Museum – zoals het nu heette – kreeg op de tweede verdieping van het Trippenhuis de beschikking over twee zeer grote zalen en vijf ruime vertrekken. Welbewust werd het Koninklijk Instituut op de begane grond gehuisvest, omdat het bevorderen van de beeldende kunsten de belangrijkste taak was van zijn Vierde Klasse. Vanaf 1816 had Apostool zijn dienstwoning in het gebouw.

Bij aankoopvoorstellen ging het soms om werken van kunstenaars die al in de collectie waren vertegenwoordigd. Apostool wees er dan steeds op dat het ging om een werk van hogere kwaliteit. Dat leidde tot de conclusie dat die ‘mindere’ stukken dan wel afgestoten zouden kunnen worden, en Apostool kreeg de opdracht een schifting aan te brengen. In 1828 werden op een veiling in Amsterdam 46 schilderijen uit bezit van het Rijksmuseum en 64 uit dat van het Mauritshuis geveild. Het betrof hier niet alleen werken van minder belang, maar ook stukken van goede kwaliteit die als ‘doubletten’ werden betiteld. De totale opbrengst was 24.100 gulden, waarvan 23.000 door het Rijks Museum werd opgebracht. Doel was fondsen te verzamelen voor de aankoop van Rembrandts Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp (1632). Het was dan ook een grote teleurstelling voor Apostool – die als een goed ambtenaar aan deze actie had meegewerkt – dat Willem I besloot het schilderij in zijn eigen Koninklijke Kabinet van Schilderijen in het Haagse Mauritshuis te plaatsen. Wat de overige aankopen betreft, waren de middelen uiterst schaars. Wel werden er geregeld kunstwerken gekocht op de ‘Tentoonstellingen van Leevende Meesters’, totdat hieraan in 1830 een einde kwam. De aanwinsten werden tot 1838 in het Rijks Museum of het Mauritshuis geplaatst, daarna in ‘Paviljoen Welgelegen’ in Haarlem. Apostool was steeds bij deze verwervingen betrokken en zag toe op de langzaam vorderende verbouwing van ‘Welgelegen’.

Apostool was bij tal van genootschappen betrokken. Zo telden het leesgezelschap ‘Doctrina et Amicitia’, het gezelschap van kunstliefhebbers ‘Arte et Amicitia’ en de Maatschappij tot Aanmoediging der Bouwkunde – alle gevestigd te Amsterdam – hem onder hun actieve leden. Daarnaast was hij lid van de raad van bestuur van de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en toegevoegd lid van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Antwerpen. Vanaf 1835 namen Apostools activiteiten af. Zijn slechte gezondheid was daaraan zeker debet. Hij overleed begin 1844 op 81-jarige leeftijd in zijn woning in het Trippenhuis.

Cornelis Apostool heeft meer dan een kwart eeuw een zeer belangrijke positie in het culturele leven van Nederland ingenomen, een positie die hij overigens niet zozeer te danken had aan zijn artistiek inzicht, maar eerder aan zijn diplomatieke en organisatorische talenten. Aan de vele regimes die elkaar in deze periode opvolgden, wist hij zich steeds moeiteloos aan te passen Bij alle nieuwe initiatieven op cultuurgebied was hij – vaak in een sleutelrol – betrokken. Zijn taak was een dienende: hij was in de eerste plaats adviseur en uitvoerder, meer practicus dan theoreticus.


Archivalia:
  • Levenbeschrijving van C. Apostool tot 1824 [handschrift] in de collectie Diederichs in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.
  • Brieven van C. Apostool, 1808-1812 (73 stuks) in Museum Meermanno / Huis van het Boek te ’s-Gravenhage.

Publicaties:
  • Catalogus der schilderijen, oudheden enz. op het Koninklijk Museum te Amsterdam (Amsterdam 1809).
  • Catalogus der schilderijen, oudheden, enz. op ’s Rijks Museum te Amsterdam (Amsterdam 1816).
  • Aanwijzing der schilderijen berustende op ’s Rijks Museum te Amsterdam (Amsterdam 1827).
  • Aanwijzing der schilderijen berustende op ’s Rijks Museum te Amsterdam (Amsterdam 1843).

Literatuur:
  • E. van Biema, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek I (Leiden 1911) 162.
  • M. Jonker, ‘Cornelis Apostool (1762-1844), cultureel ambtenaar’, Bulletin van het Rijksmuseum 25 (1977) 97-112.
  • Het Trippenhuis te Amsterdam. Onder red. van R. Meischke en H.E. Reeser (Amsterdam [etc.] 1983).
  • Ellinoor Bergvelt, Pantheon der Gouden Eeuw. Van Nationale Konst-Gallerij tot Rijksmuseum van Schilderijen (1798-1896) (Zwolle 1998), vooral hfst. 4.
  • Jenny Reynaerts, ‘Het karakter onzer Hollandsche school'. De Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, 1817-1870’ (Leiden 2001).
  • Klaas van Berkel, De stem van de wetenschap. Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. I: 1808-1914 ( Amsterdam 2008).
  • J.P. Filedt Kok, ‘The 1828 Sale of Paintings from the Rijksmuseum’, The Rijksmuseum Bulletin 57 (2009) 283-311.

Portret:
Schilderij, olieverf op doek (1815) door Charles Howard Hodges (detail); Collectie Rijksmuseum te Amsterdam.

Michiel Jonker

laatst gewijzigd: 12/11/2013