Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

BINGLEY, Ward, acteur en theaterdirecteur (Rotterdam 27-1-1757 (doop) – ’s-Gravenhage 26-6-1818). Zoon van William Bingley, wijnhandelaar, en Anna Stanton. Gehuwd op 8-8-1782 met Anna Maria Wattier (1760-1814), actrice. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren.

Ward Bingley stamde via beide ouders af van Londense wijnhandelaren: zijn grootouders van vaderszijde hadden zich in 1722 in Rotterdam gevestigd. In deze stad dreef vader William samen met zijn broer Richard een wijnhandel, die na een wisselvallige start floreerde. Hoewel Wards moeder rooms-katholiek was, werden de twaalf kinderen die het gezin telde op aandringen van Wards vader Engels-Presbyteriaans gedoopt. Ward, het zevende kind, kreeg een gedegen opleiding om hem voor te bereiden op zijn toekomst als wijnhandelaar. De jongen sprak vanzelfsprekend Engels en leerde ook Frans.

Omstreeks 1770 ging de jonge Bingley eerst bij zijn vader in de leer en vervolgens bij Frederik Stanton, een broer van zijn moeder, die eveneens in Rotterdam wijnhandelaar was. Lang duurde de leertijd echter niet, want al snel besloot hij liever acteur te willen worden. Over deze keuze voor het toneel zou zijn familie, naar verluidt, zeer verbolgen zijn geweest, maar hiervoor zijn geen bewijzen. In 1771 verkocht Bingley senior zijn onderneming en verliet hij met zijn gezin de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zijn zoon bleef achter in Rotterdam.

Hoe Bingley zich tussen zijn veertiende en achttiende jaar in het toneelspel bekwaamde, is niet bekend. Wellicht raakte hij onder de indruk van de voorstellingen die de bekende toneelspeler Jan Punt vanaf mei 1772 in Rotterdam gaf en sloot hij zich vervolgens aan bij een toentertijd nieuw opgericht amateurgezelschap in de Doelen aan het Haagscheveer. Op 18 september 1775, meldde Bingley zich – achttien jaar oud – als acteur bij de Rotterdamsche Schouwburg, die bespeeld werd door het gezelschap van de beroemde toneelleider Marten Corver. De commissarissen van de schouwburg waren juist op zoek naar nieuwe krachten en gaven de jonge acteur een kans. Als hij naar tevredenheid speelde, zou hij een engagement voor één jaar krijgen, tegen een salaris van driehonderd gulden. Dat was overigens niet veel: de twee vaste figuranten van Corvers gezelschap ontvingen ieder eenzelfde bedrag per jaar. Bingley’s debuut gaf ‘vrij goede voldoening’ (Haverkorn van Rijsewijk, 144), en hij mocht blijven. In zijn eerste seizoen gaf hij echter geen blijk van uitzonderlijk talent, want de commissarissen besloten aanvankelijk zijn jaarcontract niet te verlengen. Alleen omdat in maart 1776 een aantal spelers ontslag nam, kwamen zij op hun besluit terug.

Bingley’s kans om zich als acteur te bewijzen kwam in april 1776, toen hij onverwacht mocht invallen als ‘Theodoor’ in het blijspel Lucas en Clarisse (1769) van Izaak Schmidt. Zijn optreden was een succes, en vanaf dat moment dacht de leiding van de Rotterdamsche Schouwburg er niet meer over hem te ontslaan. Voor het volgende seizoen kreeg hij zelfs een loonsverhoging van dertig procent. Hij maakte snel carrière en zou tot 1784 in Rotterdam blijven spelen.

Bingley was rijzig van gestalte, had klassieke gelaatstrekken, een doordringende blik en een levendige, expressieve mimiek. Vooral zijn stem was karakteristiek: ‘rauw en zwaar’ (Albach, 84), maar beperkte hem ook in zijn rollen. ‘Als Turksche dwingeland, als trotsche vader, en als held zal men hem altijd bewonderen’, schreef de Duitse toneelcriticus Christiaan Frederich Haug. ‘Maar alle overige rollen, alles wat aandoening en gevoel, wat zagtmoedigheid, vrindschap en vaderliefde betreft, is niet voor Bingley geschapen’ (Haug, 78-79). Volgens contemporaine recensenten was hij op zijn best als schurk of als tragische held. Eén van zijn voornaamste rollen was bijvoorbeeld de wrede slechterik ‘Avogaro’ uit het treurspel Gaston en Bayard (1771) van Pierre-Laurent Buyrette de Belloy. Andere schurkenrollen waarin hij uitblonk waren ‘Nero’, ‘Alva’ en ‘Parma’. Heldenrollen die hij met succes vertolkte, waren bijvoorbeeld ‘Hamlet’, ‘Achilles’ en ‘Filoktetes’. Maar voor Haug bleef de ruwheid van Bingley’s stem een onoverkomelijke ergernis: ‘Hij speelt deze charakters goed, voortreffelijk, zelfs uitmuntend...; maar toch komt altijd de onaangenaame aanmerking boven: “Als hij maar eene andere stem had!”’ (Ibidem).

Intussen brachten de voorstellingen in de Rotterdamsche Schouwburg steeds minder geld op. Toneeldirecteur Corver keerde daarom in 1779 terug naar Den Haag. De leiding van zijn Rotterdamse gezelschap werd overgenomen door de actrice Maria Elisabeth de Bruyn. Toen zij na een paar maanden de huur van het theater niet meer kon voldoen, besloten Bingley, de acteur-toneelschrijver Simon Rivier, en de acteurs Pieter Mallet en Rijpland in april 1780 als viermanschap de Rotterdamsche schouwburg te huren voor het gezelschap dat de naam Nederduitsche Acteurs kreeg. Overigens was de relatie tussen de overtuigde Orangist Bingley en de Patriotsgezinde Rivier tamelijk gespannen.

Op 12 oktober 1780 hielden de Nederduitsche Acteurs onder de nieuwe vierkoppige leiding hun eerste voorstelling. Maar al in januari 1781 sloot de Rotterdamsche Schouwburg op last van de burgemeesters de deuren, vanwege het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en de daaraan verbonden maatregelen. Het gezelschap ging noodgedwongen tijdelijk uiteen. Vanaf begin 1782 gaven de acteurs echter weer gezamenlijk voorstellingen in plaatsen waar geen toneelverbod was afgekondigd, zoals Leiden, Den Haag, Vlissingen en Middelburg.

In de zomer van 1782 trad Bingley in het huwelijk met Anna Wattier, de oudere zuster van Johanna Cornelia Wattier, indertijd de bekendste actrice van het land. Anna speelde eveneens toneel, hoewel zij het grote talent van haar jongere zuster ontbeerde. Al het jaar daarop kreeg het echtpaar een zoon, en uiteindelijk zouden uit het huwelijk vijf kinderen worden geboren.

Nadat de handel met Groot-Brittannië, na het sluiten van een wapenstilstand, was hervat, opende de Rotterdamsche Schouwburg op 1 september 1783 opnieuw zijn deuren. Bingley was inmiddels als enige directeur van het viermanschap overgebleven, nadat Mallet en Rijpland omstreeks 1781 waren vertrokken en het tussen hem en Rivier uiteindelijk tot een breuk was gekomen. Bingley hoopte de schouwburg nieuw leven te kunnen inblazen en stak veel geld in zijn theatergezelschap. Maar dalende bezoekersaantallen brachten het ensemble in financiële problemen, waardoor het in augustus 1784 moest worden opgeheven. Bingley werd toen failliet verklaard.

Na zijn faillissement keerde Bingley Rotterdam de rug toe. Hij verbond zich aan de schouwburg van Amsterdam, waar hij al eerder gastoptredens had gegeven. Op 2 oktober 1784 debuteerde hij hier in de rol van ‘Achilles’ in het gelijknamige drama van Balthazar Huydecoper (1719). Hij kreeg een jaarsalaris van 900 gulden, dat met ingang van het daaropvolgende jaar tot 1.100 gulden werd verhoogd, op voorwaarde dat hij meer zou zingen. In 1786 werd op aandringen van Bingley ook zijn vrouw Anna bij de Amsterdamsche Schouwburg aangenomen.

In Amsterdam speelde Bingley uiteenlopende rollen. Aanvankelijk was hij vooral te bewonderen als tragische held, maar na verloop van tijd legde hij zich steeds meer toe op de ‘Tirannen en Verraders’ (Van Halmael, 49). Daarnaast vertaalde Bingley theaterstukken uit het Engels en Frans. Zo zorgde hij in 1791 voor de vertaling van de komedie Miss in her teens (1747) van de Britse acteur David Garrick met als titel Het zestienjarig meisje. Ook schreef hij naar het Frans het kluchtige blijspel De loterijbriefjes of De bedrogen schoenlapper, dat vrij lovende recensies ontving.

Toen de Franse revolutionaire troepen eind 1794, begin 1795 de Republiek binnenvielen, kwam het toneelleven overal in het land stil te liggen. Maar op 21 januari 1795, twee dagen nadat de Fransen Amsterdam waren binnengetrokken, ging de Amsterdamsche Schouwburg, weer open. In het voorjaar van 1795 kwam Bingley echter zo ernstig in conflict met de nieuw aangetreden commissarissen van dit theater, dat hij ontslag nam. Zijn echtgenote en ook een aantal collega’s – onder wie zijn schoonzuster Johanna Wattier – volgden zijn voorbeeld. Met deze acteurs vormde Bingley een klein reizend gezelschap – door hem de Nationale Nederduitsche Tooneellisten genoemd – waarmee hij vanaf april 1795 onder meer voorstellingen gaf op de kermissen van Den Haag en Rotterdam. Aanvankelijk had hij moeite talentvolle acteurs te werven voor zijn nieuwe ensemble, maar toen ongeveer terzelfder tijd een ander, betrekkelijk nieuw Rotterdams theatergezelschap uiteenviel, bood hij een aantal veelbelovende leden – onder wie de bekende komiek Frits Rosenveldt – een contract aan.

Het speeltempo van de Nederduitsche Tooneellisten was vlot en modern, hoewel de acteerstijl als overdreven en vrij houterig bekend stond. Als leider van dit ongeveer twintig leden tellende ensemble gaf Bingley blijk van grote gedrevenheid. Hij bracht toneelstuk na toneelstuk op de planken, en het verhaal ging dat hij zijn acteurs in één seizoen zelfs 28 nieuwe drama's zou hebben laten instuderen. De Nederduitsche Tooneellisten speelden alleen op woensdag en zaterdag in de Rotterdamsche Schouwburg. Aangezien dit te weinig was om van te bestaan, trad men daarnaast ook in andere steden op, onder meer in Den Haag en Leiden. In de zomermaanden trok het gezelschap verder het land in en speelde het tevens in steden als Nijmegen, Groningen en Leeuwarden. Vanaf 1805 trad Bingley’s Rotterdamse gezelschap steeds vaker op in Den Haag, niet alleen in de Hollandsche Schouwburg aan de Assendelftstraat, maar ook iedere dinsdag in de Nieuwe Haagsche Schouwburg aan het Korte Voorhout.

Nadat de Nederduitsche Tooneellisten in 1813 de vaste bespelers van de Nieuwe Haagsche Schouwburg waren geworden, werd Bingley in hetzelfde jaar directeur van dit theater. Maar hij was amper benoemd toen hij in conflict kwam met de autoriteiten die hem vanwege zijn anti-Franse houding tijdelijk schorsten. Nadat de Prins van Oranje in november 1813 uit ballingschap was teruggekeerd en de regering over de Noordelijke Nederlanden had aanvaard, werd Bingley echter voor deze opstelling beloond. De Oranjevorst kende de Nederduitsche Tooneellisten een subsidie van tienduizend gulden per jaar toe, op voorwaarde dat het ensemble Rotterdam definitief voor Den Haag zou verruilen. Bovendien mocht Bingley vanaf 1815 het predikaat ‘Koninklijk’ aan de naam van zijn gezelschap toevoegen. Sinds dat jaar kondigden zijn acteurs zich dan ook aan als ‘Koninklijke Tooneelisten van Zuid-Holland’, of ‘Koninklijke Zuid-Hollandsche Tooneelisten’.

Op 10 maart 1818 trad Bingley met zijn schoonzuster Wattier op voor zijn mecenas koning Willem I in de tragedie Maria van Lalain (1778) van Jan Nomsz. Het zou zijn laatste voorstelling zijn. Na een lang ziekbed overleed hij drieënhalve maand later op 63-jarige leeftijd.

Ward Bingley was niet alleen een gerenommeerd acteur, maar hij liet bij zijn overlijden ook een alom gerespecteerd theatergezelschap na, dat nog bijna zestig jaar zou voortbestaan. Hij wist door zijn doorzettingsvermogen niet alleen de zieltogende Rotterdamsche Schouwburg aan het eind van de achttiende eeuw nieuw leven in te blazen, maar heeft ook voor het negentiende-eeuwse Nederlandstalige theater in Den Haag veel betekend.


Archivalia:
  • Personaliamap Ward Bingley (beknopt) in het Centraal Bureau voor Genealogie te ’s-Gravenhage.
  • Personaliamap Ward Bingley in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

    • Werk:
      Overzicht van het repertoire van de Koninklijke Nederduitsche Schouwburg te ’s-Gravenhage (1804-1814) in de onder 'Literatuur' genoemde publicatie van Boulangé.

      Literatuur:
      • C.F. Haug, Brieven uit Amsteldam over het nationaal tooneel en de Nederlandsche letterkunde (Vertaald uit het Duits; Amsterdam 1805) 78-79, 84-85.
      • [L.A.C. Hesse,] Tooneelkundige brieven, geschreven in het najaar 1808. Ten vervolge op de Brieven uit Amsteldam, over het nationaal tooneel en de Nederlandsche letterkunde, van C.F. Haug (Amsterdam 1808).
      • Ch.G. Withuys, 'Het tooneel van voorheen en thans', in: De Avondbode. Algemeen Nieuwsblad voor Staatkunde, Handel, Nijverheid, Landbouw, Kunsten, Wetenschappen, enz., 26-1-1838.
      • A. van Halmael, Bijdragen tot de geschiedenis van het tooneel, de tooneelspeelkunst, en de tooneelspelers, in Nederland (Leeuwarden 1840) 49-50.
      • P. Haverkorn van Rijsewijk, De oude Rotterdamsche schouwburg (Rotterdam 1882) 143-150.
      • W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. VI: De twee laatste eeuwen (Groningen 1892) 249-251.
      • Gerd Aage Gillhoff, The Royal Dutch Theatre at the Hague, 1804-1876 (’s-Gravenhage 1938).
      • J. van Rhijn, '26 juni – 125 jaar geleden stierf een groot Nederlandsch acteur: Ward Bingley', Cinema & Theater 23 (1943).
      • Ben Albach, Helden, draken en comedianten. Het Nederlandse toneelleven voor, in en na de Franse Tijd (Amsterdam 1956) 84-96.
      • Ben Albach, Het huis op het plein. Heden en verleden van de Amsterdamse stadsschouwburg (Amsterdam 1957) 156-157.
      • Joh. M. Coffeng, Lexicon van Nederlandse tonelisten (Amsterdam 1965) 20-21.
      • Simon Koster, De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie (Assen 1973).
      • L. Brummel, ‘Het toneel onder Lodewijk Napoleon’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 88 (1973) 52-79.
      • F. Boulangé, Koninklijke Nederduitsche Schouwburg. Chronologische lijst van programma’s uitgevoerd door de ‘Zuid-Hollandsche Tooneelisten’ in de Koninklijke Schouwburg Den Haag, 1804-1814 (Amstelveen 1999).
      • Hans de Leeuwe, De Amsterdamse schouwburg in 1795. Het eerste jaar der Bataafse vrijheid (Zutphen 2003).
      • De Koninklijke Schouwburg (1804-2004). Een kleine Haagse cultuurgeschiedenis. Onder red. van Paul Korenhof (Zutphen 2004).

        • Portret:
          Ward Bingley als ‘Avogaro’ in Gaston en Bayard van De Belloy; gravure door Philippus Velijn naar een werk van F.J. Pfeiffer (beschikbaar via: Bingley.nl).

          Liesbeth Sparks

laatst gewijzigd: 12/11/2013