Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

BONHOMME, Henri Damas, legerofficier en bestuurder (Maastricht 10-9-1747 (doop) – Surhuizum (Friesland) 7-2-1826). Zoon van Caspar Bonhomme, kapitein der infanterie in Staatse dienst, en Elizabeth Koningh. Gehuwd op 30-8-1795 met Hermanna Hillegonde Geertsema (1760-1799). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Als zoon van een beroepsofficier begon Henri Bonhomme zijn militaire carrière al op jonge leeftijd. In 1758 kreeg hij, pas elf jaar oud, een aanstelling als cadet in het Regiment Infanterie Lindtman – sinds 1772: het Regiment Infanterie Van Bylandt – de eenheid waarin ook zijn vader diende en die hij zelf eveneens trouw zou blijven. In de jaren daarna doorliep hij gestaag de rangen van het Staatse leger: in 1766 werd hij vaandrig, in 1771 luitenant en in 1777 kapitein. Op 19 maart 1786 volgde Bonhomme’s benoeming tot kapitein-commandant en kreeg hij de leiding over de grenadierscompagnie van het 2de bataljon van het regiment. Een jaar later ging hij over naar het Regiment Infanterie Pallardy, waar hij vanaf 22 mei 1787 de rang van majoor bekleedde.

Bonhomme stond in zijn jonge jaren te boek als een ijverige en ambitieuze officier. Hij had een ‘zeer goede’ lichaamsbouw en sprak zowel Nederlands als Frans, wat voor een officier geen overbodige luxe was. Tegen de tijd dat in de Republiek der Verenigde Nederlanden de spanningen tussen Patriotten en Prinsgezinden hun hoogtepunt bereikten, was Bonhomme al bijna dertig jaar in Staatse dienst. Op 28 september 1787, nadat stadhouder Willem V met hulp van Pruisische troepen in zijn macht was hersteld, werd Bonhomme ontslagen, omdat hij in het conflict de zijde van de anti-Oranjegezinde Staten van Holland had gekozen. Hij nam de wijk naar Frankrijk. Op 1 juli 1788 kreeg hij een aanstelling als kapitein der infanterie in het Franse leger.

Na het uitbreken van de Franse Revolutie nam de carrière van Bonhomme een grote vlucht. Door het gebrek aan kundige officieren in de jaren na 1789 en de zuiveringen binnen het officierskorps tijdens de Terreur wist Bonhomme snel promotie te maken. In augustus 1792 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel in het uit Patriotse uitgewekenen samengestelde ‘Légion franche étrangère’. Toen de infanterie-eenheden van dit korps in november 1793 opgingen in de 30ste Half-Brigade Lichte Infanterie kreeg hij hierover het commando als chef de brigade (: kolonel).

Met het Bataafse Legioen onder bevel van Herman Willem Daendels nam Bonhomme vervolgens deel aan de veldtochten tegen de Republiek en haar Oostenrijkse en Britse bondgenoten in de Zuidelijke Nederlanden en Staats-Brabant. Zo was hij onder andere betrokken bij de inname van Druten op 19 oktober 1794. Tijdens deze veldtocht raakte Bonhomme verscheidene keren gewond. In mei 1793 brak hij zijn arm na de val van zijn paard, en een jaar later raakte hij door een geweerschot gewond aan zijn heup tijdens de slag bij Kortrijk op 25 juni 1794.

Na de val van de Republiek trad Bonhomme op 5 juni 1795 met de rang van generaal-majoor in dienst van het nieuwe Bataafse leger. Hij kreeg toen het bevel over de troepen in de noordelijke provincies, sinds 1796 als commandant van de 1ste brigade van de 2de Bataafse Divisie onder divisie-generaal Jean-Baptiste Dumonceau. Zijn hoofdkwartier was gevestigd in Groningen, waar hij door zijn contacten met de lokale elite waarschijnlijk Hermanna Geertsema leerde kennen, met wie hij in augustus 1795 trouwde. Zij was de dochter van de Ommelander bestuurder Jan Gerard Geertsema van Sjallema en overleed al in mei 1799.

Tijdens de Brits-Russische invasie van Noord-Holland in de late zomer van 1799 vocht Bonhomme onder Dumonceau, wiens divisie haastig uit Groningen was overgebracht. Gedurende de slag om de Zijpe op 10 september 1799 gaf hij leiding aan de 1ste Brigade, die als eerste de Britten moest aanvallen. Deze aanval liep echter al snel uit op een mislukking, omdat de door de Franse opperbevelhebber, divisie-generaal Guillaume Brune, voorgeschreven marsroute in werkelijkheid een vaart bleek te zijn. Het open Noord-Hollandse landschap, de smalle wegen en de vele sloten bemoeilijkten de opmars. Ondanks het feit dat Bonhomme zijn troepen in tirailleursformatie liet oprukken, eiste het zware vijandelijke vuur een hoge tol. Na twee mislukte aanvalspogingen besefte hij dat de Britten niet van hun sterke positie konden worden verdreven en gaf hij bevel tot de terugtocht. Korte tijd later, op 19 september, vond de slag bij Bergen plaats. Ook tijdens dit treffen was een prominente rol voor Bonhomme weggelegd. Halverwege de gevechten nam hij het commando over van Dumonceau, nadat deze door een kogel in zijn borst was getroffen. Tijdens de volgende veldslagen en schermutselingen leidde Bonhomme de 2de Bataafse Divisie. Pas op 9 oktober droeg hij het bevel weer over aan de inmiddels herstelde Dumonceau.

Hoewel hem in juni 1800 het bevel was toevertrouwd over de mobiele divisie die het Franse leger moest ondersteunen bij zijn strijd tegen de Oostenrijkers in Duitsland, verhinderde ziekte Bonhomme aan deze zogeheten Main-veldtocht deel te nemen. Vanwege zijn inmiddels indrukwekkende staat van dienst werd Bonhomme op 8 juni 1803 bevorderd tot luitenant-generaal. Twee jaar later, op 28 juni 1805, keerde hij terug naar Groningen om van daaruit leiding te geven aan het militaire arrondissement, dat Friesland, Groningen en Drenthe omvatte.

Tussendoor voerde Bonhomme vanaf 25 november 1805 gedurende enkele weken het bevel over de 6de Bataafse Divisie die, als onderdeel van het Noorderleger van de Franse bondgenoot, de Bataafse Republiek en de noordgrens van Napoleons keizerrijk tegen een mogelijk Pruisische inval moest beschermen. Hij maakte toen voor het eerst kennis met de bevelhebber van deze troepenmacht, prins Louis Bonaparte. Nadat de laatstgenoemde in juni 1806 door zijn broer keizer Napoleon op de troon van het Koninkrijk Holland was geplaatst, benoemde hij Bonhomme op 11 juli 1806 tot directeur-generaal voor de Zaken van Oorlog, sinds 29 juli minister van Oorlog geheten. Zijn periode als departementshoofd was geen onverdeeld succes. Bonhomme was volgens zijn opvolger Dirk van Hogendorp niet geschikt voor een dergelijke administratieve en organisatorische functie (Mémoires, 180). Bovendien kreeg hij als eerste te maken met de grote wispelturigheid van de nieuwe Koning. Dan weer moest er bezuinigd worden op het leger en dan weer wilde Lodewijk een omvangrijke Koninklijke Garde.

Na een ambtsperiode van vierenhalve maand werd Bonhomme – waarschijnlijk op eigen verzoek – weggepromoveerd. Op 24 november 1806 kreeg hij de eervolle functie van gouverneur-generaal van Oost-Friesland. Zetelend in Emden had Bonhomme de lastige taak hier de onrust te beteugelen, de belastingheffing op gang te brengen en de maatregelen ter bevordering van het Continentaal Stelsel door te voeren.

Ook Bonhomme’s aanstelling als gouverneur-generaal van Oost-Friesland was slechts van korte duur. Al na tweeënhalve maand, op 6 februari 1807, werd hij ontheven van zijn functie. Hij bleef overigens in Emden resideren, omdat hij het commando behield van het militaire arrondissement, dat Oost-Friesland omvatte. Als pleister op de wonde ontving hij van koning Lodewijk op 16 februari de uiterst eervolle titel van kolonel-generaal der cavalerie, waarmee hij één van de grootofficieren van het Koninkrijk werd.

Op 25 mei 1807 werd Bonhomme uit Emden teruggeroepen naar Den Haag, waar hem het commando werd toevertrouwd over het 1ste militaire arrondissement, dat Holland en Utrecht omvatte. Tegelijkertijd werd hij toen als inspecteur der gendarmerie met de organisatie van dit wapen belast. Vijf maanden later, op 30 oktober 1807, deelde de grillige Koning hem het arrondissementscommando over Maasland – het huidige Zuid-Holland – toe; hij bekleedde deze functie tot 24 januari 1808. Op 4 augustus van dat jaar kende Lodewijk hem opnieuw een eerbewijs toe door zijn benoeming tot kapitein der Gardes van de Koning, een zeer hoge, nieuw ingestelde functie. Sinds 26 maart 1809, ten slotte, voerde hij nog drie maanden lang het bevel over het kustcommandement en militaire arrondissement te Aurich.

Op 30 juni 1809 werd de inmiddels 61-jarige Bonhomme op eigen verzoek op pensioen gesteld. Tijdens de Britse invasie van Walcheren in de zomer van 1809 herstelde Lodewijk hem op 22 augustus tijdelijk in actieve dienst om opnieuw het kustcommandement en militaire arrondissement in Aurich te leiden. Maar toen het eerste gevaar was geweken, mocht hij vanaf 17 september weer van zijn rust gaan genieten.

De laatste zestien jaren van zijn leven bracht Bonhomme door op zijn landgoed ‘Woudlust’ bij Surhuizum. Van dit Friese dorpje was hij van 1 januari 1812 tot 1 januari 1814 burgemeester. Na de opheffing van deze functie bleef hij tot 1 oktober 1816 als schout aan het hoofd van het gemeentebestuur staan. Vanaf zijn landgoed onderhield Bonhomme op zijn oude dag warme contacten met zijn voormalige adjudant Cornelis Anthonie Geisweit van der Netten. Uit de weinige brieven die bewaard zijn gebleven, komt het beeld naar voren van een vriendelijke en humoristische man, die uit zijn hoofd komische gedichten kon citeren en veel tijd doorbracht met zijn paarden. Begin 1826 overleed Bonhomme op 78-jarige leeftijd. Als kinderloze weduwnaar liet hij een groot deel van zijn bezittingen na aan goede doelen.

Bonhomme was een beroepsmilitair pur sang, die als geen ander heeft geprofiteerd van de grote carrièremogelijkheden voor ervaren officieren na de Franse en Bataafse revoluties. Als minister van Oorlog in Den Haag was hij niet op zijn plaats. Administratieve en organisatorische werkzaamheden lagen hem niet; liever hield hij contact met het krijgsbedrijf. Tijdens zijn ministerschap toonde hij zich een trouw uitvoerder van de wensen van koning Lodewijk, zonder zelf een duidelijke visie op de toekomst van landstrijdkrachten te hebben. Dankzij zijn goede relatie met de Koning en zijn lange staat van dienst vielen Bonhomme ook na zijn ministerschap nog eervolle functies in het Hollandse leger ten deel. Aangezien hij echter na de veldtocht van 1799 in Noord-Holland niet meer actief bij oorlogshandelingen was betrokken en omdat hij zonder nageslacht bleef, raakte zijn naam in de vergetelheid.


Archivalia:
  • Collectie Geisweit van der Netten in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.
  • Conduitelijsten van het Regiment Infanterie Van Bijlandt (tot 1773) in het Archief van de Raad van State in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.
  • Brieven van H.D. Bonhomme in de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.

Prestaties:
‘Rang en stamlijst van den luitenant generaal commanderende de 5e Militaire Divisie, 6 januari 1807’ in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage (Archief Stamboeken, naamlijsten, conduite- en pensioenstaten van officieren, onderofficieren en minderen der Landmacht, ca. 1795-1813).

Literatuur:
  • A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden… II-1 (Haarlem 1854) 844-845.
  • J.M.G.A. Dronkers, De generaals van het Koninkrijk Holland, 1806-1810 (Den Haag 1968) 47-48.
  • Mémoires du général Dirk van Hogendorp. Uitgeg. door D.C.A. van Hogendorp (’s-Gravenhage 1887).
  • Geert van Uythoven, Voorwaarts, Bataven! De Engels-Russische invasie van 1799 (Zaltbommel 1999).

    • Christiaan van der Spek

      laatst gewijzigd: 12/11/2013