Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

BROMET, Hermanus Leonard (ook bekend onder de naam Hartog Bromet), ondernemer en politicus (Amsterdam 1724 – Amsterdam 4-12-1812). Zoon van Levie Hartog Bromet, koopman, en Marianne Mulder. Gehuwd op 30-4-1745 met Sara Nunes Henriques (1719-1784?). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden (1784?) gehuwd met Sara David Fernandes.

Hartog Bromet stamde uit een Asjkenazisch-joodse familie die al drie generaties lang in Amsterdam was gevestigd. Hij was het vierde van zes kinderen, van wie de eerste drie jong overleden. Zijn vader was afwisselend in Amsterdam en in de Oostenrijkse Nederlanden – het huidige België – werkzaam. Hij zorgde voor de bevoorrading van Vlaamse kruidenierswinkels, was zelf ook drogist en medicamentenhandelaar en vroeg in 1758 als een van de weinige joden het burgerschap in de Zuidelijke Nederlanden aan. Dit feit wijst op een bemiddelde positie, omdat joden voor hun verblijf jaarlijks minstens driehonderd gulden aan belasting moesten betalen.

De eerste dertig jaar van zijn leven bracht Bromet door in Amsterdam. Over zijn jeugd is nauwelijks iets bekend. Opmerkelijk is dat hij in 1745 in het huwelijk trad met Sara Nunes Henriques, een vijf jaar oudere Sefardisch-joodse vrouw. Huwelijken tussen leden van de twee ‘Joodse Naties’ die Amsterdam rijk was – de Hoogduitse en de Portugese –kwamen zelden voor en werden door de rabbijnen en bestuurlijke elite aan beide zijden ten sterkste ontmoedigd. Voor Bromet betekende het huwelijk met een Sefardische niettemin een stijging op de sociale ladder, vanwege de hogere status die Portugese joden genoten in de Europese samenleving.

Mogelijk vormden de contacten met zijn schoonfamilie voor Bromet de aanleiding voor het besluit om te vertrekken naar Suriname, waar leden van de familie Nunes Henriques al sinds 1675 plantage-eigenaren waren. Zijn verblijf in dit overzeese wingewest, waar joden als onderdeel van de relatief kleine blanke elite volop deelhadden in het publieke leven, moeten Bromets politieke en filosofische ideeën in belangrijke mate hebben gevormd.

Op 19 september 1754 kwamen Bromet en zijn vrouw in Suriname aan. Hij maakte hier zijn fortuin met de handel in koffie, suiker, oud ijzer en hout. Geregeld liet hij een schip vol koopwaar naar Rotterdam, Amsterdam en Vlissingen varen. Gedurende de meer dan twintig jaar dat hij in Suriname verbleef, voeren hij en zijn vrouw bij herhaling mee om het vaderland te bezoeken, onder meer in juni 1756, februari 1758 en juni 1775.

Bromet liet zich in Suriname ook in met de lucratieve handel in slaven. Van kapiteins die met slavenschepen aankwamen van de Afrikaanse Goudkust, kocht hij ‘restanten off gedeeltens der armasoenen slaven’ (geciteerd in: Doortmont [e.a.], 491), die hij vervolgens tijdelijk huisvestte op de plantage van zijn compagnon. Daar konden de slaven aansterken van de slopende zeereis, die steeds velen het leven kostte. Daarna liet hij hen voor eigen rekening werken, totdat hij kopers vond. In 1773 speelde een rechtszaak tegen Bromet, omdat hij de slaven langer dan een jaar op de plantage zou hebben gehouden en geen hoofdgeldbelasting over hen had betaald. Van slavenhandelaar was hij daarmee slavenhouder geworden. Met andere joodse plantage-eigenaars en slavenhandelaars was hij ook betrokken bij soms wekenlange klopjachten op de zogeheten ‘marrons’: weggelopen slaven die zich hadden teruggetrokken in de oerwouden in het Surinaamse binnenland.

In de jaren zeventig van de achttiende eeuw was er sprake van economische neergang, die vooral veel Portugees-joodse plantage-eigenaren trof. Daarnaast waren er voortdurend onlusten en gevechten tussen de marrons en de plantagehouders en koloniale autoriteiten. Ook Bromet was hierbij nauw betrokken. Toen ‘den fameusen Jood Bromet’ in 1775 uit Suriname vertrok, schreef gouverneur Jean Nepveu in zijn dagjournaal dat hij hoopte dat nu ‘de gemoederen weder tot bedaaren & beetere sentimenten koomen’ (Journaal van de gouverneur, inv.nr. 207, fol. 840).

Op 7 november 1775 verliet Bromet Suriname en keerde hij met vrouw en kind en de ‘negerjongen Candide’ – waarschijnlijk vernoemd naar Voltaires romanpersonage – terug naar Amsterdam, waar hij zowel handelaar in effecten als in cacao en koffie was. Daarbij had hij de cacaohandelaar en latere procureur Mozes Salomon Asser als compagnon, die in zijn autobiografie Bromet als zijn leermeester tekende. Asser beschreef Bromet als zeer belezen en vooral in politiek en recht geïnteresseerd. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsstrijd (1775-1783) volgde hij op de voet en met sympathie voor de opstandelingen. Tevens beweert Asser dat zijn compagnon tijdens de spanningen tussen Oranjegezinden en Patriotten de zijde van de laatstgenoemden koos.

Binnen de Amsterdams-joodse gemeenschap bewoog Bromet zich in een kleine kring van vooruitstrevende joden die volop aan de samenleving wilden deelnemen. Hij onderhield ook vele contacten met niet-joden. Onder hen was de dichter Willem Bilderdijk, aan wie hij in 1791 een bedrag van 7.000 gulden had geleend. Toen Bromet hem in de daaropvolgende jaren steeds vaker en steeds dringender verzocht zijn schuld plus de eerder overeengekomen rente aan hem te betalen, raakte hun onderlinge verhouding ernstig verstoord. ‘Die vervloekte jood blijft me maar lastig vallen!’, noteerde de dichter in september 1807 (in het Frans geciteerd in: Bloemgarten, 428). Pas in 1812 zou Bromet de helft van het bedrag terugkrijgen van Bilderdijks eerste echtgenote, Catharina Woesthoven. De resterende som heeft hij nooit ontvangen.

Bromet kon zijn progressieve idealen eindelijk verwezenlijken toen door de Bataafse Revolutie van januari 1795 een andere wind ging waaien. Op 6 februari van dat jaar behoorde hij – met onder anderen Asser en de arts Hartog de Hartog Lémon – tot de oprichters van ‘Felix Libertate’. Deze Amsterdamse sociëteit bestond grotendeels uit joodse intellectuelen, die sympathie hadden voor het nieuwe verlichte bestel. Samen met Asser en de koopman Jacob Saportas werd Bromet tot ‘commissaris’ (: bestuurslid) gekozen, en als zodanig bekleedde dit drietal afwisselend het voorzitterschap. Bromet behoorde tot de actieve leden en verschillende bijdragen van zijn hand werden opgenomen in de Handelingen van ‘Felix Libertate’.

Toen op 4 maart 1795 op de Dam in Amsterdam de vrijheidsboom werd geplaatst, nam ook ‘Felix Libertate’ deel aan de festiviteiten. Bromet hield bij deze gelegenheid een toespraak, waarin hij de vrijheidsboom vergeleek met de koperen slang van Mozes: het joodse symbool van redding en verlossing. In messianistische taal bezong hij de politieke ontwikkelingen onder Franse invloed als de geoela (: verlossing), waarop joden gedurende zovele eeuwen tevergeefs hadden gehoopt. Frankrijk fungeerde voor Bromet als lichtend voorbeeld voor de Bataafse Republiek.

Onder de nieuwe politieke verhoudingen ontpopte de vroegere slavenhandelaar zich tot een pleitbezorger van de ‘Gelykstaat der Jooden’. Bromets hoop dat joden nu eindelijk als gelijkberechtigde burgers zouden mogen meedoen in de samenleving, leek aanvankelijk niet te worden vervuld. In juli 1795 vaardigde ‘Felix Libertate’ Asser en Bromet af naar de landelijke Centrale Vergadering van Burgersociëteiten, Volksvergaderingen enz. Op de volgende bijeenkomst, in augustus, bleek hun joodse identiteit binnen deze progressieve beweging echter een te groot obstakel voor deelname en moesten ze – na een onverkwikkelijke discussie – onverrichter zake huiswaarts keren.

Bromet spande zich niet alleen in voor de verbetering van de positie van de joden in de Bataafse Republiek. Ook de bestaande verhoudingen binnen de joodse gemeenschap in Amsterdam, waar de conservatieve bestuurders van de Hoogduitse en Portugese gemeentes in Amsterdam de dienst uitmaakten, wenste hij te veranderen. In 1795 hingen al overal in de stad opruiende schotschriften tegen deze parnassiem, ondermeer ondertekend door Bromet. Hij plaatste ook zijn handtekening onder een Jiddische versie van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger.

Bovendien viel Bromet opperrabbijn Mozes Saul hard aan, omdat deze joden verbood voor het nieuwverworven vaderland ten strijde te trekken. Zelf was hij daarentegen een groot voorstander van joodse legerdienst; in Suriname was hij al vertrouwd geraakt met joodse militairen. Bovendien stelde hij zich – evenals andere verlichte joden – op het standpunt dat, wanneer de joden burgerrechten zouden krijgen, zij zich niet konden onttrekken aan de burgerplichten. Om zijn standpunt kracht bij te zetten publiceerde hij op 22 maart 1795 een brochure, getiteld Briev van H.L. Bromet … ten betooge dat de wapening der Jooden, zelfs op den Sabat, voor de vrijheid in den burgerstaat en de defensie van het land, volgens haare wetten, geoorloofd en geboden is. Deze werd op 26 maart gevolgd door een Tweede Briev … met aanvullende argumenten.

Na de nodige discussies besloot de nieuwgekozen Nationale Vergadering op 2 september 1796 dat joden dezelfde rechten en plichten zouden krijgen als de andere Bataafse staatsburgers. Een jaar later werd de inmiddels 72-jarige Bromet samen met zijn medelid van ‘Felix Libertate’ Lémon – als de eerste joodse volksvertegenwoordigers ter wereld – tot lid van de Nationale Vergadering gekozen. Op 1 september 1797 namen zij zitting. Bromet – lid van de eind maart van dat jaar opgerichte sociëteit ‘Voor Een- en Ondeelbaarheid’ – ontpopte zich hier als een uitgesproken Unitarist. Hij bepleitte een democratische en gecentraliseerde staat en ergerde zich aan de Federalisten en Moderaten die naar manieren zochten om de federale structuur van de oude Republiek der Verenigde Nederlanden te behouden. Op 12 september hield hij zijn maiden speech, waarin hij zijn Unitaristische overtuiging uitte. Gedurende de korte tijd dat hij als parlementariër actief was, heeft Bromet overigens weinig van zich laten horen. Een enkele maal werd hij geconsulteerd wanneer het over Suriname ging, terwijl hij ook in een tweetal parlementaire commissies zitting had. Veel van zijn tijd bracht hij niet in Den Haag, maar in Amsterdam door.

Op 22 januari 1798 was Bromet betrokken bij de parlementaire staatsgreep van de Unitaristen. Vervolgens was hij tot 4 mei 1798 lid van de Constituerende Vergadering, die tot doel had een democratische grondwet voor te bereiden. Toen als gevolg van die grondwet het nieuwe Vertegenwoordigend Lichaam zich in een Eerste en Tweede Kamer splitste, werd Bromet met 47 stemmen gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Daar zetelde hij slechts tot 12 juni 1798, toen een nieuwe coup een einde maakte aan het radicale regime van de Unitaristen. Vanaf dat moment was hij opnieuw ambteloos burger.

Tegelijkertijd deed zich, parallel aan de politieke ontwikkelingen in Den Haag, ook in de Amsterdamse joodse gemeente polarisatie voor. Na forse aanvaringen met de parnassiem en de opperrabbijn had een kleine groep progressieve joden zich op 26 maart 1797 van de Hoogduits Joodse Gemeente afgescheiden en een nieuwe joodse gemeente gesticht: ‘Adath Jeschurun’. Bromet behoorde tot de initiatiefnemers, en hij werd ook een van de bestuursleden. In de synagoge van de nieuwe gemeente werd de nadruk gelegd op het gebruik van de Nederlandse taal en op een verlichte en vaderlandslievende boodschap. De progressieve gemeente zou slechts tot 1808 blijven bestaan, toen zij zich onder druk van koning Lodewijk verenigde met de Hoogduitse moedergemeente.

Hartog Bromet overleed eind 1812 op 88-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de ererij van bestuurders op de begraafplaats Overveen in de duinen bij Haarlem, die ‘Adath Jeschurun’ in 1797 had aangekocht en die, ook na de gedwongen hereniging, de laatste rustplaats bleef voor progressieve Amsterdamse joden. De paradox van Bromets leven – enerzijds slavenhandelaar en -houder en anderzijds verlicht joods emancipator – valt te verklaren uit zijn Surinaamse jaren. Daar heeft hij kennisgemaakt met joden die volop in de blanke samenleving participeerden en tegelijkertijd slaven hielden. Vanuit de Surinaamse realiteit ontwikkelde Bromet zijn progressieve idealen voor de Noord-Nederlandse joden. Die idealen zouden hem ruimschoots overleven; ook als zijn korte en tragische politieke carrière als eerste joodse parlementariër ter wereld in het vergeetboek zal zijn beland.


Archivalia:
  • Testament van H.L. Bromet, d.d. 10-8-1803 in het Stadsarchief Amsterdam (Archief 5075, inv.nr. 17922, akte 1260).
  • Bendit ben Eizek Wing, Lezikorn [Jiddische kroniek 1795-1812]. Manuscript in de Bibliotheca Rosenthaliana van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam (Hs. Ros. 74-I/II/III).
  • Journaal van de gouverneur van Suriname, 21-1-1771 – 21-1-1778 in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage (Archief Sociëteit van Suriname, inv.nr. 207).

Publicaties:
Behalve de in de tekst genoemde brochures:
  • Aanspraak gedaan in de sociëteit Felix Libertate, op den 7 maart 1795 (Amsterdam 1795).
  • [Samen met M.S. Asser en H. de H. Lemon,] Het request door het Joodsch Gezelschap den 12 maart 1795 (Amsterdam 1795).
  • Afscheid van de Societeit voor Eenheid en Ondeelbaarheid, te Amsteldam, Door de burgers J. Konijnenburg en W.A. Ockerse (…) Benevens het afscheid van den burger H.L. Bromet, verkooren repraesentant des Bataafschen volks… (Amsterdam 1797).

Literatuur:
  • M.E. Bolle, De opheffing van de autonomie der Kehilloth (Joodse gemeenten) in Nederland, 1796 (Amsterdam 1960).
  • I.H. van Eeghen, ‘De autobiografie van Mozes Salomon Asser’, Jaarboek Amstelodamum 55 (1963) 130-165.
  • A.J. Hanou, ‘Bilderdijk, Bromet en Kinker’, in: Folia Bilderdijkiana. Bladen voor Bosch. Onder red. van M. van Hattum [e.a.] (Amsterdam 1985) 31-44.
  • Jozeph Michman, The history of Dutch Jewry during the emancipation period, 1787-1815. Gothic turrets on a Corinthian building (Amsterdam 1995).
  • Michel R. Doortmont [e.a.], ‘Tussen de Goudkust, Nederland en Suriname. De Euro-Afrikaanse families Van Bakergem, Woortman, Rühle en Huydecoper. IV: Rühle’, De Nederlandsche Leeuw 117 (2000) 490-512.
  • Salvador Bloemgarten, Hartog de Hartog Lémon 1755-1823. Joodse revolutionair in Franse Tijd (Amsterdam 2007).
  • ‘Hermanus Leonard Bromet’, in: Biografieën van het Joods Historisch Museum te Amsterdam (Internetpublicatie).
  • ‘Hermanus Leonard Bromet’, in: Bertha en Max van Dam, Stambomen van Nederlands Joodse families (Internetpublicatie).

Bart Wallet

laatst gewijzigd: 12/11/2013