Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

BYLANDT, jhr. Frederik Sigismund van (erkend en geadmitteerd in de Nederlandse adel bij Soeverein Besluit d.d. 28-8-1814, nr. 14), heer van Halt, Keken en Duffelwaerd (16-5-1792), heer van Clarenbeek, marineofficier en bestuurder (Wageningen 13-4-1749 – ’s-Gravenhage 2-2-1828). Zoon van Roeleman Ferdinand graaf van Bylandt, heer van Halt (8-4-1790), legerofficier in Staatse dienst, en Cornelia barones von Friesheim. Gehuwd op 18-9-1786 met Susanna Cornelia Maria Hartsinck (1758-1824). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Frederik Sigismund van Bylandt – spreek uit: ‘Bielandt’ – , telg uit een oud Gelders adelsgeslacht, groeide op in Wageningen als oudste zoon en derde van de zeven kinderen van een legerofficier die het zou brengen tot luitenant-generaal in dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Frederik Sigismund begon zijn carrière op de Staatse vloot in 1760, als elfjarige adelborst bij de Admiraliteit te Amsterdam onder de vleugels van zijn oom kapitein-ter-zee Lodewijk graaf van Bylandt. Van maart 1764 tot februari 1765 maakte hij op diens linieschip ‘Zwieten’ een tocht naar de Middellandse Zee, die een mogelijke uitval van ‘Barbarijse kapers’ naar de retourvloot van de Verenigde Oost-indische Compagnie moest verhinderen. Tevens moest men over deze kapers diplomatiek overleg voeren met de Sultan van Marokko, aangezien zij vanuit zijn havens opereerden. Frederik Sigismund toonde zich een voortreffelijke leerling, en in 1766 werd hij op zeventienjarige leeftijd tot luitenant-ter-zee benoemd.

In 1776 zou de kwestie van Barbarijse kapers Van Bylandt opnieuw in mediterrane wateren brengen. Als luitenant-commandeur diende hij toen op het fregat ‘Amphitrite’ onder bevel van kapitein-ter-zee Jan Hendrik van Kinsbergen. Het schip voer van mei 1776 tot oktober 1777 in het eskader van Lodewijk van Bylandt, dat als opdracht had de piraterij te onderdrukken en – indien mogelijk – een vredesverdrag met de Marokkaanse Sultan te sluiten om aan deze schadelijke zeeroof definitief een einde te maken. Van Bylandt bevond zich in het gezelschap van Van Kinsbergen toen deze aan land ging voor de onderhandelingen, die op 4 juli 1777 inderdaad met een vredesakkoord konden worden afgesloten. In december van dat jaar voer Van Bylandt als commandeur – sinds oktober van dat jaar – op het linieschip ‘Argo’, onder bevel van Van Kinsbergen, naar Marokko om het vredesverdrag te ratificeren en de Sultan met een grote som geld te belonen voor zijn inschikkelijkheid.

Eind 1779 werd Van Bylandt vlagkapitein op het linieschip ‘Prinses Royaal Frederika Sophia Wilhelmina’ van zijn oom Lodewijk, die inmiddels de rang van schout-bij-nacht had bereikt. Toen de laatstgenoemde met vier andere oorlogsschepen 27 koopvaarders naar Frankrijk begeleidde, werd dit konvooi op 30 december ter hoogte van het eiland Wight onderschept door elf schepen van de Royal Navy. De bevelhebber van het eskader, commandeur Charles Fielding, eiste de koopvaarders te mogen inspecteren op contrabandegoederen die bestemd waren voor Frankrijk, het land waarmee Groot-Brittannië in oorlog was. Een gesprek tussen Frederik Sigismund van Bylandt en Fielding leverde niets op. Toen de Britse bevelhebber bij zijn eis bleef, legde Lodewijk van Bylandt zich – na een plichtmatige schotenwisseling – bij de Britse overmacht neer. Deze overgave kon in de Republiek op weinig genade rekenen. Tot een veroordeling van Lodewijk van Bylandt door de Hoge Zeekrijgsraad kwam het niet, dankzij de getuigenissen van zijn neef Frederik Sigismund van Bylandt en andere marineofficieren.

In 1780 kreeg Van Bylandt – sinds 17 november 1777 kapitein-ter-zee extra-ordinaris – zijn eerste zelfstandige kapiteinschap op het fregat ‘Mars’. Op het moment dat op 20 december 1780 de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) uitbrak, was hij met dit ene schip belast met de verdediging van Sint-Eustatius. De Britten zagen dit bovenwindse eiland in de Caribische Zee als een smokkelaarsnest en een uitvalsbasis van Noord-Amerikaanse kapers en gaven admiraal George Rodney opdracht zich hiervan meester te maken. Op 3 februari 1781 werd Van Bylandt geconfronteerd met het uit vijftien oorlogsschepen bestaande eskader van de Britse vlootvoogd. Nog niet op de hoogte van het uitbreken van de oorlog stelde hij zich vredelievend op. De snelle overgave van het eiland drukte hem echter met de neus op de feiten. Een aanbod tot overgave accepteerde hij pas na een pro forma vuurgevecht met drie vijandelijke linieschepen. Rodney was wel zo galant de ‘Mars’ een vrije aftocht huiswaarts te verlenen. Bij de plundering van Sint-Eustatius vielen vele koopvaarders, handelswaar en grote sommen geld in Britse handen. Na terugkeer in het vaderland wachtte Van Bylandt, op last van de stadhouder Willem V, de Hoge Zeekrijgsraad. Vrijspraak en herstel in rang luidde het vonnis.

Op 16 november 1783 werkte Van Bylandt zich opnieuw in de nesten. Tijdens een diner in het Heerenlogement te Amsterdam zou hij in een discussie over de Patriotse pers hebben gezegd ‘dat men die schreeuwers weldra den mond zoude snoeren, want dat de Prins binnenkort souverain zou zijn’ (geciteerd in: Habermehl, 86). Hierover kreeg hij het aan de stok met Joan Geelvinck van Castricum. Toen deze Amsterdamse schepen, een gematigde Patriot, daarop in woede ontstak, zou Van Bylandt eerst hebben gestotterd, daarna hebben gezwegen en er vervolgens vandoor zijn gegaan. Deze uitspraak was in overeenstemming met die van zijn superieuren, die een sterker centraal gezag van de Staatse marine noodzakelijk achtten. Er dreigde echter plotseling vervolging op grond van ‘republiekschennis’ toen Geelvink, onder druk van radicalere Patriotten, de kapiteins woorden verdraaide. Om escalatie te voorkomen liet Van Bylandt daarop in een aantal kranten het bericht opnemen dat hij van de woordenwisseling tussen hem en Geelvinck met verbazing en verontwaardiging had kennisgenomen. Uiteindelijk zou de zaak in januari 1784 met een sisser aflopen (Habermehl, 87).

Van augustus 1784 tot mei 1786 verbleef Van Bylandt in de Middellandse Zee. Zijn fregat ‘Tijger’ maakte daar deel uit van een uit acht oorlogsschepen bestaand eskader onder schout-bij-nacht Van Kinsbergen. Deze vlooteenheid was belast met de bescherming van de koopvaardij in verband met oorlogsdreiging van Oostenrijk en de stadsrepubliek Venetië. Het uitbreken van vijandelijkheden bleef echter achterwege. Na terugkeer in de Republiek trad de inmiddels 37 jaar oude Van Bylandt in het huwelijk met de rijke Amsterdamse koopmansdochter Susanna Hartsinck.

Intussen maakte Van Bylandt – op het juiste spoor gezet door zijn oude leermeesters Lodewijk van Bylandt en Van Kinsbergen – serieus studie van de organisatie van de marine. In 1783 schreef hij – op verzoek van de advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Amsterdam Joan Cornelis van der Hoop – de anonieme en ongepubliceerde brochure ‘Eenige bedenkingen over de zeemagt van de Republiek’, waarin hij de oorzaken van de achteruitgang van de Staatse marine analyseert en suggesties doet voor verbetering. In dit 35 bladzijden tellende geschrift bepleit hij onder meer het aanhouden van een vast korps van subalterne zeeofficieren ter beperking van het verloop. In 1792 zou dit idee uitwerking vinden in de oprichting van een vast korps zeeartilleristen. Van Bylandts plan de carrièreperspectieven van de luitenants-ter-zee te verbeteren door de invoering van een nieuw rangenstelsel werd al in 1783 overgenomen.

Ook het zeemanschap en de maritieme wetenschap bestudeerde Van Bylandt. Zo bedacht hij in 1784, tijdens zijn verblijf in de Middellandse Zee, een systeem om met een octant en tabellen de afgelegde afstand van een schip te bepalen. Tijdens zijn reizen experimenteerde hij als een van de eersten met een zakchronometer voor de lengtebepaling op zee en probeerde hij nieuwe kompassen uit. Het proces van galvanische corrosie dat optrad bij het koperen van de scheepshuid had eveneens zijn speciale aandacht (De kundige kapitein, 129).

In de zomer van 1787, toen de politieke tegenstellingen in de Republiek zich verscherpten en de situatie steeds meer op een burgeroorlog begon te lijken, was Van Bylandt één van de Oranjegezinde marineofficieren die tegenweer moesten bieden aan de ‘armada’ van kanonneerboten en andere kleinere vaartuigen die de Patriotten op de Zuiderzee samentrokken. Tot een gewapende confrontatie te water zou het echter niet komen.

Om haar koopvaarders te beschermen tegen de onophoudelijke dreiging van de Barbarijse kapers zorgde de Republiek voor de permanente aanwezigheid van een eskader in de Middellandse Zee. In 1792 leidde Van Bylandt hier op het linieschip ‘Gelderland’ een vlooteenheid van zeven schepen. Juist toen begin 1793 oorlog met de Dey van Algiers dreigde, moest hij echter terugkeren, nadat het revolutionaire Franse bewind de oorlog had verklaard aan de Koning van Groot-Brittannië en diens bondgenoot, de Stadhouder van de Republiek. Na thuiskomst werd Van Bylandt in april 1793 bevorderd tot schout-bij-nacht. Met de ‘Gelderland’ werd hij vervolgens belast met de verdediging van de Zeeuwse wateren. Bij Vlissingen bood hij in de maanden juli en augustus 1794 met een compagnie zeeartilleristen en Britse vlootsteun vakkundig weerstand aan de Franse opmars. Twee maanden later kreeg hij het commando over een smaldeel in de Zuiderzee met de opdracht daarmee een dreigende Franse oversteek vanuit Gelderland te verhinderen.

Op 18 januari 1795, toen Franse troepen Den Haag naderden, voerde Van Bylandt het bevel over de visserspinken die prinses Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van stadhouder Willem V, en haar gevolg vanaf het Scheveningse strand naar het Britse Harwich brachten. Als adjudant-generaal der Marine stond hij de Prins tijdens diens ballingschap in en nabij Londen terzijde. Toen Willem V in november 1801 Groot-Brittannië voor zijn vorstendom Nassau verruilde, keerde Van Bylandt naar zijn vaderland terug.

Van Bylandt keerde niet meer in actieve marinedienst terug, maar leefde als ambteloos burger in Den Haag. Onder koning Lodewijk had hij van 4 oktober 1806 tot 30 juli 1810 namens het departement Gelderland zitting in het Wetgevend Lichaam; in 1808 bekleedde Van Bylandt hiervan het voorzitterschap. Tijdens de inlijving van de ‘Hollandse departementen’ bij het Franse Keizerrijk was hij lid van het Conseil général van het departement Bouches-de-la-Meuse.

Op 1 juli 1814 werd de inmiddels 65-jarige Van Bylandt door Willem I bevorderd tot vice-admiraal. Eerder al had de Koning blijk gegeven van zijn achting door hem te benoemen tot een van zeshonderd leden van de Vergadering van Notabelen die op 29 maart 1814 in de Amsterdamse Nieuwe Kerk moesten stemmen over de grondwet van het nieuw gevestigde koninkrijk. Twee weken later, op 12 april 1814, volgde met zijn benoeming tot een van de twaalf leden van de Raad van State een nieuw koninklijk eerbewijs. Overigens zou hij hier slechts tot en met 8 juli 1814 zitting hebben. Van 16 september 1815 tot aan zijn dood was hij staatsraad in buitengewone dienst.

Van jongs af had Van Bylandt de adelstitel ‘graaf’ gevoerd. Door zijn benoeming tot lid van de Ridderschap van Gelderland op 28 augustus 1814 werd hij tevens ‘erkend en geadmitteerd’ tot de door koning Willem I gecreëerde Nederlandse adel en mocht hij voortaan het adelspredikaat ‘jonkheer’ voeren. Namens de Ridderschap had Van Bylandt van 2 juli 1816 tot aan zijn dood zitting in de Provinciale Staten van Gelderland.

Naast deze bestuurlijke functies maakte hij in deze jaren als marinedeskundige tevens deel uit van verscheidene commissies die onderzoek moesten doen naar zulke uiteenlopende zaken als het verlies van drie linieschepen op volle zee (1815) en de mogelijkheden van technische vernieuwing op de marinewerven (1820). Van Bylandt overleed begin 1828 op 78-jarige leeftijd als kinderloze weduwnaar.

Evenals zijn oom Lodewijk en menig ander officier op de Staatse vloot behoorde Frederik Sigismund van Bylandt in politiek opzicht tot het Orangistische kamp. Verschillende affaires bezorgden oom en neef een slechte naam bij het Patriotse deel van de natie en hun opzwepende pers. Aan Frederik Sigismund bleven vooral de in hun ogen eerloze overgaven aan Fielding (1779) en Rodney (1781) en de bijna-aanklacht wegens 'republiekschennis’ (1783) kleven. Voor zijn superieuren bij de machtige Amsterdamse Admiraliteit – en met name voor advocaat-fiscaal Van der Hoop – stond Van Bylandts deskundigheid echter buiten kijf, zodat zijn marineloopbaan hierdoor weinig averij opliep. Ook nadat hij in 1795 de actieve dienst had verlaten, maakten koning Lodewijk en koning Willem I graag van deze expertise gebruik. Zijn leven lang toonde Van Bylandt zich een actief hervormer en vernieuwer die door zijn daden en geschriften heeft bijgedragen aan de verwetenschappelijking en professionalisering van de Nederlandse marine.

Archivalia:
Stukken afkomstig van Frederik Sigismund graaf van Bylandt in het Archief van de Admiraliteitscolleges (Verzameling J.A. van den Velden, 1692-1793) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.

    Publicaties:
    De in de tekst genoemde ongepubliceerde brochure.

      Literatuur:
      Naast enkele aan het incident met Joan Geelvinck gewijde pamfletten uit 1784 (W.P.C. Knuttel, Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek (9 dln.; ’s-Gravenhage 1890-1920) V, 238: nrs. 20854 tot en met 20859):
    • J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen (6 dln.; Haarlem 1838-1841) V en VI.
    • W.M.C. Regt, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 377-379.
    • De kundige kapitein. Brieven en bescheiden betrekking hebbende op Jan Olphert Vaillant, kapitein-ter-zee (1751-1800). Uitgeg. door S. Dörr (Zutphen 1988).
    • R.B. Prud'homme van Reine, Jan Hendrik van Kinsbergen, 1735-1819 Admiraal en filantroop (Amsterdam 1990).
    • Thea Roodhuyzen, In woelig vaarwater. Marineofficieren in de jaren 1779-1802 (Amsterdam 1998).
    • Nico Habermehl, Joan Cornelis van der Hoop (1742-1825). Marinebestuurder voor stadhouder Willem V en koning Willem I (Amsterdam 2000).


    Hans van Rijn

    laatst gewijzigd: 12/11/2013