Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

CANNEMAN, Elias, heer van de Mijle (1836), bestuurder (Amsterdam 25-1-1777 – Huize ‘Hartenstein’ te Oosterbeek 6-10-1861). Zoon van Gerrit Canneman, koopman, en Gesina Alida van der Souw. Gehuwd op 10-11-1799 met Geertruy Antonia van Vloten (1773-1827). Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 4 dochters geboren, van wie 2 zoons jong overleden.

Elias Canneman groeide op in een ontwikkeld middenklassegezin. Zijn beide ouders hadden zich vanuit Overijssel gevestigd in Amsterdam, waar zijn vader als koopman een bestaan had gevonden. Toen Elias zeven jaar was, stierf zijn vader. Zijn moeder bleef met vier kinderen achter en hertrouwde in november 1785 met Gerardus Abraham Sevenhuysen. Deze nam de opvoeding van de jongen – het tweede kind en de enige zoon – intensief ter hand. Over Elias’ opleiding is alleen bekend dat hij in de leer werd gedaan bij een Amsterdamse notaris.

In de door de Bataafse Omwenteling ontstane nieuwe politieke situatie vond Canneman in juni 1795 – achttien jaar oud – een betrekking als adjunct-secretaris bij de Generale Beleenbank van het Volk van Holland, een in Amsterdam gevestigde gewestelijke instelling, die in dat jaar was opgericht. Men was tevreden over hem, en eind december 1796 werd hij bevorderd tot tweede secretaris. Hier kwam hij in aanraking met Isaäc Jan Alexander Gogel, één van de zes commissarissen die de Beleenbank bestuurden. Aan hem had Canneman veel te danken: hij liet hem niet alleen delen in zijn financiële kennis, maar deed hem ook kennismaken met zijn politieke ideeën. Uit hun beider samenwerking zou een hechte vriendschap voortkomen, die bij Canneman soms trekken vertoonde van adoratie.

In de strijd tussen de voorstanders van de oude federale staat met zijn soevereine gewesten enerzijds en de pleitbezorgers van een centraal regeerde eenheidsstaat anderzijds koos Gogel voor de laatstgenoemden. De mede door Gogel in 1797 in Amsterdam opgerichte sociëteit ‘Voor Eenheid en Ondeelbaarheid’, moest dit Unitarische ideaal uitdragen. Ook Canneman toonde zich hiervan een geestdriftige aanhanger, en hij werd actief lid van de sociëteit.

Eveneens in 1797 leerde Canneman Geertruy van Vloten kennen, de oudste zuster van zijn vriend en collega-secretaris van de Beleenbank Arend Cornelis van Vloten en de dochter van een gefortuneerde effectenmakelaar in ruste en overtuigd Patriot. Zij zou in november 1799 zijn vrouw worden. Tussen 1800 en 1818 zouden uit dit huwelijk tien kinderen worden geboren.

Nadat op 22 januari 1798 de eenheidsstaat door een staatsgreep gewapenderhand was afgedwongen, werd Gogel tot agent (: minister) van Financiën benoemd. Bij het dagelijks bestuur van de Bataafse Republiek, het Uitvoerend Bewind, had hij bedongen dat hij zelf zijn medewerkers mocht uitkiezen. Zo kon hij onder anderen zijn politieke geestverwant Canneman vragen hem te volgen naar Den Haag. Deze werd daar in maart 1798 chef van het bureau Expeditie, een van de vier afdelingen van het nieuw gevormde departement van Financiën. In deze functie droeg hij bij aan het herstructureren en uniformeren van de overheidsfinanciën, die tot dan toe overwegend gewestelijk waren georganiseerd.

Toen na de staatsgreep van 18 september 1801 het Uitvoerend Bewind werd vervangen door het Staatsbewind had dit grote gevolgen voor het proces van unificatie van de overheidsfinanciën. Hoewel de centrale organen grotendeels intact bleven, werden opnieuw bevoegdheden toegekend aan de voormalige gewesten. De herstructurering van de financiën was nog lang niet voltooid en werd zelfs gedeeltelijk teruggedraaid. Uit afschuw over de federalistische koers nam Gogel ontslag. Ook Canneman was een voorstander van de eenheidsstaat, maar hij was geen politieke scherpslijper. Hij beschikte over die mate van flexibiliteit, die noodzakelijk was om ambtelijk te kunnen overleven. Aldus bleef hij ook onder het Staatsbewind werkzaam op het departement, waar hij begin 1802 griffier werd van het vierkoppige college van Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën. In deze functie werd Canneman onder meer belast met het opstellen van de staatsbegrotingen en jaarrekeningen en het in werking brengen van leningen en buitengewone heffingen. Daar de staatsfinanciën een structurele onevenwichtigheid vertoonden, moest soelaas gevonden worden in financiële transacties van de Staat aan de Amsterdamse Beurs. In deze door – de nu ambteloze burger en koopman – Gogel verrichte operaties, fungeerde Canneman als verbindingsman namens het departement.

In het najaar van 1804 was Canneman tevens raadsman van Rutger Jan Schimmelpenninck, op dat moment ambassadeur in Frankrijk, toen deze in opdracht van keizer Napoleon werkte aan een herziening van de Bataafse grondwet. De Franse heerser zag de noordelijke vazalstaat graag onder een eenhoofdig bestuur met Schimmelpenninck als beoogd Raadpensionaris (: president). Nu Canneman de voltooiing van de eenheidsstaat naderbij zag komen, spande hij zich achter de schermen in om de financiële unificatie en de daarmee gepaard gaande bestuurlijke maatregelen bij Schimmelpennick aanvaard te krijgen. Over concessies, die hij moest doen aan zijn democratische principes in verband met de ongecontroleerde macht die de toekomstige president van de Bataafse Republiek volgens de nieuwe grondwet zou krijgen, stapte Canneman zonder veel moeite heen. Met zijn geestdrift lukte het hem bovendien Gogel, die zich in dit opzicht veel principiëler toonde, met veel overredingskracht over te halen als secretaris van staat (: minister) opnieuw leiding te geven aan het departement van Financiën.

Bij het aantreden van Schimmelpenninck als Raadpensionaris werd Canneman op 30 april 1805 – geheel in overeenstemming met zijn aspiraties – benoemd tot secretaris van het departement. Met de daaropvolgende invoering van een algemeen belastingstelsel, centralisatie van de financiële administratie en herstructurering van het binnenlands bestuur was de eenheidsstaat vrijwel voltooid. Gedurende de afwezigheid van Gogel, die van april tot juni 1806 als lid van een diplomatieke missie in Parijs verbleef, werd Canneman tijdelijk aangesteld als zijn plaatsvervanger. In die functie zette hij het fiscale wetgevingsproces voort.

Hoewel Canneman zich op papier ontdaan toonde over het erfelijk koningschap, dat in juni 1806 in de plaats kwam van het regime van de Raadpensionaris, bleef hij ook onder koning Lodewijk leiding geven aan de ambtelijke organisatie, vanaf 11 juli van dat jaar met als titel secretaris-generaal van het ministerie van Financiën. De verhuizing van alle departementen naar Lodewijks nieuwe residentie Amsterdam, in het najaar van 1808, deed hem met zijn gezin terugkeren naar zijn geboortestad. Nadat Gogel in mei 1809 ontslag had genomen als minister, werd Jean Henry Appelius zijn superieur.

Toen de ‘Hollandse departementen’ begin juli 1810 bij het Franse keizerrijk werden ingelijfd, bleef Canneman op zijn post. Ook in het overgangsbestuur van de gouverneur-generaal Charles-François Lebrun werd hij als secretaris-generaal gecontinueerd, vanaf 1 januari 1811 van de Intendance voor de Financiën en de Keizerlijke Schatkist, die onder leiding van Gogel stond. Door de vervanging van het Nederlandse belastingstelsel door het Franse moest het personeelsbestand van de Intendance begin 1812 fors worden ingekrompen en was ook Canneman niet meer nodig. Op voorspraak van Gogel werd hij met ingang van 1 januari 1812 benoemd tot directeur van de ‘contributions directes’ van het departement Monden van de Maas, wat hem terugbracht in Den Haag. Voortaan zou hij functioneren onder de vanuit Parijs geleide belastingdienst.

Hoewel hij onveranderlijk afwijzend stond tegenover een mogelijke terugkeer van het Huis van Oranje zocht Canneman in november 1813 toch contact met zijn stadgenoot Gijsbert Karel van Hogendorp, de zelfbenoemde leider van de opstand tegen de Fransen en de wegbereider van de terugkeer van de Prins van Oranje. Bezorgdheid over maatschappelijke onrust en een dreigend gezagsvacuüm als gevolg van het vertrek van Franse troepen en functionarissen – maar mogelijk ook eigenbelang – bracht hem hiertoe. In opdracht van Van Hogendorp ontwierp Canneman vervolgens een proclamatie, met daarin de voor de opstand belangrijke passage dat alle ambtenaren uit naam van de Prins van Oranje waren ontslagen van de eed van trouw en gehoorzaamheid aan de Franse Keizer en dat weigeraars zouden worden beschouwd als verraders van het vaderland. Waarschijnlijk heeft Cannemans handelwijze – die opnieuw blijk gaf van een pragmatische, weinig principiële houding – geleid tot een breuk met Gogel. Nadat gebleken was dat deze niet bereid was het bestuur van de financiën op zich te nemen, werd Canneman op 29 november 1813 door het door Van Hogendorp geleide Algemeen Bestuur aangesteld als commissaris-generaal (: minister) van Financiën.

Cannemans eerste zorg was het vertrouwen van de bevolking te winnen en ervoor te zorgen dat de vrijwel lege kassen werden aangevuld. Hij verving de impopulaire Franse douane door de in 1725 door de Staten-Generaal vastgestelde ‘convooien en licenten’ en voerde onderdelen van Gogels belastingplan opnieuw in. Enkele Franse belastingen, die niet in dit stelsel waren opgenomen, bleven evenwel gehandhaafd. Een vrijwillige lening, die Canneman deed uitschrijven, werd een fiasco.

Inmiddels was de regering in handen gekomen van de Prins van Oranje als Soeverein Vorst. Deze bemoeide zich intensief met het bestuur en deed zich vooral gelden op het terrein van de financiën. Canneman vond Willem dan ook in toenemende mate op zijn pad. Volgens Anton Reinhard Falck, die als algemeen secretaris van Staat besprekingen tussen beide mannen van nabij meemaakte, was Cannemans vakmanschap onbetwist, maar was hij chaotisch in de presentatie en verdediging van zijn voorstellen. Voor de Vorst zou dat een reden zijn geweest hem niet langer te handhaven. Zo kwam onder Willems strakke regie op 25 maart 1814 het octrooi van De Nederlandsche Bank tot stand, waarvoor Gogels in 1802 ontworpen plan model stond. Bij de totstandkoming daarvan was Canneman indertijd intensief betrokken geweest, maar nu had hij weinig in te brengen.

Met ingang van 6 april 1814 werd Canneman ontheven van zijn taak als commissaris-generaal van Financiën. Gelijktijdig vervielen de uit dit ambt voortvloeiende functies, zoals het presidentschap van het Syndicaat der Nederlanden en het lidmaatschap van de Commissie die een reglement moest ontwerpen voor de Rekenkamer, waarvan hij sinds januari deel uitmaakte. Wel had Canneman van 6 april tot 20 juli 1814 zitting in het nieuwe advieslichaam van de vorst, de Raad van State.

Reeds in één van de eerste zittingen van de Raad werd het ontwerp van de Financiële Wet besproken. Met enkele collega-staatsraden leverde Canneman hierop kritiek, wat door de Vorst niet op prijs werd gesteld. Deze wachtte op een goed moment om Canneman uit zijn directe omgeving te verwijderen. De totstandkoming op 30 mei 1814 van de Eerste Vrede van Parijs, waarbij was bepaald dat Frankrijk schadevergoeding moest betalen aan de geallieerden, bood hiertoe een goede gelegenheid. Canneman leek de aangewezen persoon om als gevolmachtigde van de Nederlandse regering in internationaal verband met de Fransen te onderhandelen. Als president van de Commissie tot liquidatie van de achterstand, waartoe hij op 25 april 1814 was benoemd, had hij zich al beziggehouden met schuldvorderingen wegens achterstallige betalingen, waarvan was gebleken dat de Fransen er grotendeels verantwoordelijk voor waren.

Op 20 juli 1814 werd Canneman van deze taak ontheven en benoemd tot buitengewoon staatsraad, tevens Nederlands commissaris-generaal, belast met de liquidatie van de schuld van Frankrijk. Daartoe verbleef hij vanaf december 1814 enkele maanden in Parijs. Begin maart 1815 werd hij teruggeroepen voor overleg en vervolgens belast met een onderzoek naar de aard en omvang van de schuldvorderingen van de Zuidelijke Nederlanden, die bij het Verenigd Koninkrijk waren gevoegd. Noodgedwongen bleef hij in Nederland tijdens Napoleons Honderd Dagen. Op verzoek van de Nederlandse diplomaten die in Parijs betrokken waren bij de vredesonderhandelingen na de overwinning op Napoleon, keerde hij op 22 september 1815 terug naar de Franse hoofdstad om hen terzijde te staan. Dankzij zijn financiële deskundigheid en ervarenheid had hij grote invloed op de totstandkoming van enkele uitvoeringsartikelen van de Tweede Vrede van Parijs van 20 november 1815. Nadat het vredestraktaat was ondertekend, kon hij zijn werkzaamheden aldaar hervatten.

Canneman resideerde tot medio 1819 in Parijs om de aanspraken af te handelen. Na meermalen ontslag te hebben gevraagd, keerde hij, zonder daartoe toestemming van de Koning te hebben gekregen, naar Den Haag terug. Willem I vatte dit op als obstructie. Weliswaar verleende hij hem op 29 juli alsnog ontslag, maar hij schakelde hem niet meer in; een situatie die ruim tien jaar zou duren. Mogelijk heeft hieraan bijgedragen Cannemans optreden in de Tweede Kamer, waarin hij sinds 21 september 1815 als afgevaardigde van de provincie Holland zitting had. Hoewel hij door zijn werkzaamheden in Parijs niet veel aanwezig kon zijn, had hij daar laatstelijk op 17 april 1819 oppositie gevoerd tegen voorgestelde belastingmaatregelen. Hij verliet de Tweede Kamer op 18 oktober 1819, nadat hij niet was herkozen, naar publiekelijk werd aangenomen door persoonlijk ingrijpen van koning Willem I.

Canneman bleef echter niet zonder bezigheden. Hij was – vermoedelijk na het overlijden van zijn schoonouders – tot grote welstand gekomen. Vanuit Parijs had hij een monumentaal huis gekocht in de Lange Houtstraat te Den Haag, waarin hij met zijn talrijke gezin zijn intrek nam. Hier overleed eind augustus 1827 zijn vrouw, waarna hij achterbleef met de zorg voor acht kinderen, van wie er zes minderjarig waren. In financieel opzicht ging het Canneman in deze jaren voor de wind: tussen 1820 en 1847 verwierf hij zich onroerende goederen in de omgeving van Dordrecht, die hem een aanzienlijk rendement opleverden. De hiertoe behorende heerlijkheid ‘De Mijle’, kocht hij in 1836, waarschijnlijk mede met het doel zijn maatschappelijke status te doen stijgen. Canneman was een veelgevraagd bestuurder van culturele, religieuze en maatschappelijke organisaties. Van 1830 tot 1851 was hij lid van de stedelijke raad van zijn woonplaats Den Haag.

Vanaf 1831 verbeterde Cannemans relatie met Willem I. In opdracht van de Koning ontwierp hij in 1832 – samen met zijn collega-staatsraden Marinus Piepers en Henricus van Royen – een herziening van de Grondwet. Hoewel het ontwerp de goedkeuring van de Koning niet kon wegdragen, leidde dit niet tot een nieuwe verwijdering. Enkele jaren later kwam hij zelfs in een persoonlijke verhouding tot Willem I te staan. Na eerst vanaf 1831 namens de Haagse aandeelhouders commissaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te zijn geweest, verruilde Canneman die functie in 1836 voor die van ‘commissaris des Konings’ bij deze onderneming. In zijn nieuwe hoedanigheid was hij niet alleen president van de raad van commissarissen, maar ook adviseur van de Koning en bemiddelaar in fricties tussen regering en directie die voortkwamen uit de opkomst van het politiek en economisch liberalisme. Hij zou deze functie tot en met 1853 vervullen.

Eveneens in opdracht van Willem I zat Canneman in 1841-1842 een staatscommissie voor die het financiële beleid moest doorlichten van de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan hij al sinds 1833 regeringscommissaris was. Na het uitbrengen van een advies werd hij opnieuw benoemd tot regeringscommissaris in het bestuur van de Maatschappij, een functie die hij tot 1843 vervulde. Van 1839 tot 1840 maakte Canneman deel uit van een staatscommissie, die adviseerde over het rijkskassierschap en de opheffing van het Amortisatiesyndicaat. Tevens was hij van 1839 tot 1841 lid van de staatscommissie tot onderzoek der ten gevolge van de scheiding met België nodig geworden verevening.

Wegens zijn gevorderde leeftijd, en mogelijk ook omdat zijn gezichtsvermogen achteruitging, verzocht en kreeg Canneman met ingang van 1 juli 1853 ontslag als koninklijk commissaris bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Op zijn in 1852 verworven buitenverblijf ‘Hartenstein’ bij Oosterbeek overleed hij in 1861, 84 jaar oud.

Het onafgebroken functioneren van Canneman tijdens de opeenvolgende regimes vanaf 1798 valt deels te verklaren uit zijn idealisme om de eenheidsstaat mede tot stand te brengen, deels uit materiële motieven. Tot 1813 stond hij sterk onder invloed van Gogel; waarschijnlijk hebben ook vooruitzichten op continuering van hun samenwerking bij zijn keuzes een rol gespeeld. De vermoedelijke breuk met Gogel tijdens en na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 stelde Canneman in staat uit de schaduw van zijn patroon te treden en zich onafhankelijk verder te ontplooien. Zo werd hij tot een in binnen- en buitenland om zijn deskundigheid gerespecteerd bestuurder.


Archivalia:
  • Collectie Canneman (aanwinst 1904 en aanwinst 1930) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.
  • Familiearchief Canneman in particulier bezit.

Literatuur:
  • A.G.C. Alsche, ‘Levensberigt van Elias Canneman’, in: Handelingen der Jaarlijksche Algemeene Vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Leiden 1862) 47-69.
  • G.J.W. Koolemans Beijnen (red.), Historisch Gedenkboek der herstelling van Neêrlands onafhankelijkheid in 1813, I en II (Haarlem 1912, 1913).
  • Gedenkschriften van Anton Reinhard Falck. Uitgeg. door H.T. Colenbrander (’s-Gravenhage 1913).
  • W.H. de Savornin Lohman, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 396-397.
  • W.M.F. Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, 1824-1924 (2 dln.; Haarlem 1924-1925).
  • H.T. Colenbrander, Vestiging van het koninkrijk (1813-1815) (Amsterdam 1927).
  • C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid (Zutphen 1981).
  • Tom Pfeil, ‘Tot redding van het vaderland’. Het primaat van de Nederlandse overheidsfinanciën in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1810 (Amsterdam 1998).
  • Mieke van Leeuwen-Canneman, ‘Minister tegen wil en dank? Elias Canneman en de terugkeer van de Prins van Oranje’ in: Een vorstelijk archivaris. Opstellen voor Bernard Woelderink. Onder red. van J.R. ter Molen (Zwolle 2003) 204-209.
  • Mieke van Leeuwen-Canneman, ‘Achterkamertjesoverleg op Het Binnenhof. Het aandeel van Elias Canneman in de voorbereidingen tot het bewind van Rutger Jan Schimmelpenninck’, in: Jaarboek Die Haghe (2005) 52-79.
  • Een vriendschap in het teken van ’s Lands financiën. Briefwisseling tussen Elias Canneman en Isaac Jan Alexander Gogel, 1799-1813. Uitgeg. door Mieke van Leeuwen-Canneman (’s-Gravenhage 2009).
  • Hugo Landheer, ‘Elias Canneman en de Franse achterstand. Schadevergoeding voor particulieren, instellingen en overheden na 1818’ [Publicatie in voorbereiding].

Portret:
Kopie (1941) naar een verloren gegaan schilderij (1815) van Charles Howard Hodges door Willem Stad (detail); Collectie Belasting & Douane Museum te Rotterdam (beschikbaar via: Het Geheugen van Nederland).

Mieke van Leeuwen-Canneman

laatst gewijzigd: 12/11/2013