Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Doorenweerd, Bartholomeus (pseudoniem: Transisalanus), rooms-katholiek priester en publicist (Zwolle 28-5-1767 – Kampen 25-7-1832). Zoon van Bernardus Doorenweerd en Maria Wonink.

Bartholomeus Doorenweerd groeide samen met zijn één jaar jongere zuster Joanna en drie jaar jongere broer Gerardus op in Zwolle. Naar verluidt, was de familie niet onbemiddeld. Over Bartholomeus jeugd is weinig meer bekend dan dat hij vanaf 1780 onderwijs volgde aan het kleine college van de Heilige Joannes ante portam latinam in het Duitse Maria-bedevaartsoord Kevelaer.

Vervolgens studeerde Doorenweerd van 1785 tot 1790 aan het Onze Lieve Vrouwe College (: Seminarium Marianum) in Douai, waar priesters voor de Hollandse Zending hun vorming ontvingen. Deze keuze werd waarschijnlijk ingegeven door het feit dat voor een studie in deze Noord-Franse stad beurzen beschikbaar waren. Doorenweerd volgde eerst de gebruikelijke opleiding in de artes en de theologie. In 1786 verwierf hij de graad van doctor in de wijsbegeerte na de verdediging van stellingen. Volgens een register memoriale zou hij deze studie hebben voltooid als ‘primus perpetuus’ (: de beste van zijn jaar). Daarna studeerde hij gedurende drie jaar theologie in Douai.

Onder de dreiging van de snel radicaliserende Franse Revolutie ontving Doorenweerd in korte tijd zijn wijdingen: de lagere op 29 mei 1790 in Arras en de hogere op 24 oktober en 26 oktober 1790 in Rheine aan de Eems, waar hij door de wijbisschop van Münster tot diaken respectievelijk priester werd gewijd. Hierna kon hij beginnen met zijn loopbaan in het pastoraat. Op 27 november 1790 kreeg hij toestemming van het stadbestuur van Zwolle om als kapelaan in de kerk aan de Koestraat te mogen werken. Hij was daartoe gevraagd door pastoor Petrus Arnoldus Vavé. Deze was al op leeftijd, zodat de jonge kapelaan al onmiddellijk het meeste werk op zich moest nemen.

In augustus 1796 werd Doorenweerd – ruim voor zijn dertigste – benoemd tot pastoor van de Sint-Michaëlparochie te Ens en Emmeloord op Schokland. In deze door ligging en bevolking bijzondere statie trof hij een uiterst gespannen situatie aan. Na de Bataafse omwenteling van 1795 ging dit Zuiderzee-eilandje namelijk gebukt onder bestuurlijke verdeeldheid en twisten tussen een deel van de burgerij en de nieuwgekozen municipaliteit, waarvan het gezag niet werd erkend. Als vertegenwoordiger van het kerkelijk gezag op het eiland deed pastoor Doorenweerd, samen met de schout als vertegenwoordiger van het wereldlijk gezag, zijn best hieraan een einde te maken. In oktober kreeg het tweetal van het Provinciaal Bestuur van Holland de opdracht een minnelijke schikking te treffen, waaraan alle partijen zich dienden te onderwerpen. Voor Doorenweerd was deze vorm van erkenning van zijn rol van grote betekenis.

De schikking mislukte echter jammerlijk, waarna opnieuw municipaliteitsverkiezingen werden uitgeschreven. Beide bemiddelaars adviseerden het Provinciaal Bestuur daarop het nieuwe bestuur te erkennen. Toen de municipaliteit het Provinciaal Bestuur echter verzocht om militaire bijstand bij het innen van achterstallige belastingen, liet Doorenweerd zijn onpartijdigheid varen. Hij wendde zich tot de provinciale overheid met kritiek op de municipaliteit en drong erop aan de geschillen voor te leggen aan de rechter. Dat gebeurde niet. Het Provinciaal Bestuur stemde in met het verzoek troepen te sturen, maar wees de municipaliteit erop dat de militairen alleen mochten worden ingezet bij oproer.

De regeringsverandering die in Den Haag plaatsvond na de Unitaristische staatsgreep van 22 januari 1798, had zijn weerslag op alle bestuurlijke niveaus. Deze reorganisaties werden ter plaatse uitgevoerd door agenten van de centrale overheid, die ook in Emmeloord het bewind op zich namen. Doorenweerd was hierover erg verheugd en zag er de verhoring van zijn gebeden in. Op zijn voordracht werden drie nieuwe gemeentebestuurders aangesteld.

In algemene zin kenmerkten Doorenweerd politieke opvattingen zich door een sterke afkeer van de denkbeelden van de Franse Revolutie en bovenal van de Cultus van de Rede, die door hem werd ervaren als ‘gruwel der gruwelen’ (Korte kerkredenen I, 1). Dichter bij huis onderscheidde hij zich door zijn betrokkenheid bij het openbaar bestuur en door zijn streven naar meer democratische verhoudingen. Wat de relatie tussen kerk en staat betreft, zou hij later opmerken, dat de Kerk zich onder alle volkeren uitbreidt, ongeacht hun regeringsvorm. Het lag echter niet in haar bedoeling de wetten van die volkeren te veranderen, maar alleen om ze te heiligen en zo het ‘onwrikbaarste steunsel’ van de staat te worden (De belofte van Jezus Christus aan zijne kerk, 35).

Op godsdienstig gebied was Doorenweerd verlicht in zijn afkeer van bijgelovige praktijken. Hij nam in eigen kring fel stelling tegen priesters die – tegen de kerkelijke regels in – op verzoek rituelen uitvoerden en bezweringen uitspraken die een ander doel dienden dan door Rome was voorgeschreven. Bijzondere gebeurtenissen en natuurverschijnselen zag hij als tekenen van Gods almacht. Doorenweerd was ervan overtuigd dat men ‘een Voorzienigheid moet erkennen, zonder welke hier geen haar van het hoofd valt en die zich tot de geringste dingen uitstrekt’ (Pastoraal Handboekje, 76-77). Zoals bij velen van zijn verlichte tijdgenoten ging bij hem de bestrijding van bijgeloof hand in hand met het bevorderen van de educatie van het volk.

Begin april 1808 verruilde Doorenweerd Schokland voor Kampen, waar hij tot aan zijn dood als pastoor werkzaam zou zijn, eerst in de voormalige schuilkerk aan de Rhijnvischgang en vanaf 1810 in de Onze Lieve Vrouwe- of Buitenkerk. Het laatstgenoemde gebouw was door koning Lodewijk een jaar eerder aan de rooms-katholieke gemeenschap van de stad geschonken. Hij stelde een groot bedrag in het vooruitzicht om het uit de Middeleeuwen daterende en zwaar verwaarloosde gebouw geschikt te maken voor de nieuwe bestemming. Overigens zou uiteindelijk slechts de helft van dit bedrag ter beschikking worden gesteld, waardoor de parochianen voor zware lasten kwamen te staan. De eerste preek die Doorenweerd in deze kerk hield, zou later worden gepubliceerd in De plegtige bezitneming der beide herstelde kerken, aan de allerzaligste moedermaagd Maria toegewijd, de eene te Kampen en de andere te Zwoll... (circa 1810).

Naast zijn zuster Joanna en haar echtgenoot, een groepje vrouwelijke bewonderaars, aangevoerd door Eleonora Leenders, en uitgevers, onder wie Jan Willem Robijns te Deventer, hebben in het bijzonder twee mannen een belangrijke rol gespeeld in het leven en werk van Doorenweerd. Allereerst was daar de rooms-katholieke priester en onderwijshervormer Bernard Heinrich Overberg uit het Duitse Münster. Met hem correspondeerde hij in de jaren 1807-1808 over het uitbrengen van diens theologische en pedagogische werken in het Nederlands. Doorenweerd zou verscheidene werken van Overberg vertalen, waaronder het driedelige Handboek van den christelijken catholijken Godsdienst, om zich zelven en anderen te onderwijzen (1809) en de Catechismus der christelijke catholijke leere, zijnde een volledig uittreksel uit deszelfs grooten en kleinen catechismus, ten algemeenen gebruike ingerigt (1832).Na Doorenweerds dood zouden nog drie delen met door hemnagelaten preken verschijnen, met als titel Korte kerkredenen, naar aanleiding van Overberg's handboek van de R.C. godsdienstleer, om zich zelven en een' ander te onderwijzen (postuum verschenen 1833-1835). Door Overberg kwam Doorenweerd in aanraking met het ‘katholisch aufgeklärte’ gedachtegoed van de kring rond Amalia Fürstin von Gallitzin: de zogeheten ‘Kreis von Münster’ of ‘Gallitziner Kreis’.

Voor kinderen vertaalde Doorenweerd het werkje Leer- en Gebedenboek voor de beminnelijke jeugd, ook dienstig voor volwassenen (1814) van de Salzburger hoogleraar pater Ägidius Jais. Zelf schreef hij Verhalen uit het Oude Testament. Een leesboek voor de katholieke jeugd en Verhalen uit het Nieuwe Testament. Een leesboek voor de Nederlandsche jeugd (beide 1818), alsmede Bijbelsche verhalen. Een leesboek voor de Nederlandsche jeugd (1818-1819).

Belangrijk in Doorenweerds leven was verder Jacobus Coridon, een vondeling uit Ens, over wie hij zich in 1802 had ontfermd. Hij betaalde diens onderhoud en bracht hem onder bij een alleenstaande weduwe. Coridon studeerde later aan het seminarie van ’s-Heerenberg en ontving in 1824 de priester wijding. Op verzoek van zijn beschermheer werd hij benoemd tot kapelaan in Kampen. Hij had echter een zwak gestel en stierf op 17 juli 1832 op dertigjarige leeftijd aan tyfus.

De dood van Coridon moet Doorenweerd te veel zijn geworden. Hij was zelf zwaarlijvig en had een aantal malen een lichte beroerte gehad. Een week na het overlijden van zijn protegé werd een zware attaque hem fataal en stierf hij, 65 jaar oud. Evenals Coridon werd hij begraven op het Nieuwe Kerkhof buiten Kampen, zoals op het gezamenlijke bidprentje staat vermeld.

Zijn leven lang was Doorenweerd een gedreven auteur. De door hem nagelaten egodocumenten bieden een zeer persoonlijk inzicht in het functioneren van een rooms-katholiek priester in een van de ‘buitengewesten’ gedurende een periode van zeker 36 jaren. Tegelijkertijd geven zij een beeld van de godsdienstigheid van zowel de rooms-katholieke vissers van Schokland als van hun geloofsgenoten in Kampen.

Verder was Doorenweerd, naast zijn pastoraal werk, actief als auteur en redacteur bij verschillende periodieken en als schrijver en vertaler van godsdienstige werken. Reeds als jong kapelaan schreef hij in de jaren 1794-1796 onder het pseudoniem ‘Transisalanus’ artikelen in het tijdschrift Kerkelyke Bibliotheek, voornamenlyk, voor de Roomsch-catholyken in Nederland. Het bladstond gereserveerd tot afwijzend tegenover de Verlichting, vooral wat haar invloed op kerkelijk gebied betreft, maar deelde zich wel haar politieke gelijkberechtigingsideaal. Als pastoor in Kampen voerde Doodenweerd eerst van 1818 tot 1821 de redactie van Minerva. Letterkundig Tijdschrift voor Godsdienst, Wetenschappen en Kunsten, een blad van verlicht-katholieke signatuur. Vervolgens was hij, van 1822-1824 auteur en redacteur van De Katholijke. Letterkundig Tijdschrift voor Godsdienst en Wetenschappen. In 1828-1829 was hij medeoprichter en medewerker van De Christelijke Mentor. Tijdschrift ter Bevordering van Wetenschap, Deugd en Godsdienstigheid.

Doorenweerds publicaties getuigen van een niet aflatende ijver het toenmalige intellectueel gedachtegoed vanuit rooms-katholiek perspectief toegankelijk te maken voor eenvoudige lieden, van een drang te onderwijzen en te verheffen. Door zijn werk als auteur en redacteur van periodieken en als vertaler van het werk van met name Overberg en de verwerking van diens gedachtegoed in de Korte kerkredenen nam hij een unieke positie in binnen de ingehouden Verlichting van Noord-Nederlandse katholieken.

Archivalia:

  • Pastoraal handboekje of verzameling van gedagten, waarneemingen en gebeurtenissen dienstig voor eenen harder der gemeente, optekening van gebeurtenissen, gebruiken etc., met afschriften van stukken van kerkelijke, politieke, medische en historische aard, veelal over de parochie Schokland, 1801-1817 [Manuscript] in het Utrechts Archief te Utrecht (Collectie Rijsenburg, inv.nr. 185). [inventaris]
  • Dagboek mijner verhandelingen te Kampen, 1809-1832 [Manuscript] in het Archief van de Onze Lieve Vrouwe Kerk te Kampen (inv.nrs. 54-56). [inventaris]

Publikaties:
Bibliografie van geschriften in druk en in handschrift van Bartholomeus Doorenweerd in de onder ‘Literatuur’ genoemde publicatie van Diender, pp. 222-228.

Literatuur:

Portret:
Gravure, waarschijnlijk door Van Beek (1817) (afgebeeld in: Bartholomeus Doodenweerd, Korte kerkredenen, naar aanleiding van Overberg's Handboek van de R.C. Godsdienstleer III (’s-Hertogenbosch 1835)).

Thom van der Woude

laatst gewijzigd: 10/04/2017