Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

FLEURY, Jean-Louis (zich later noemende: Cuviller-Fleury of Cuvillier-Fleury), legerofficier en hoffunctionaris (Parijs (Frankrijk) 6-8-1774 – Parijs (Frankrijk) 7-2-1815). Zoon van Joseph Fleury, schoenmaker, en Elisabeth Saint-Rémy. Gehuwd op 28-2-1799 met Suzanne Sophie Houdin (1771-1846). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.

Jean-Louis Fleury werd geboren als zoon uit het derde huwelijk van een schoenmaker in de Parijse Rue de la Roquette. Zijn moeder overleed toen hij tien jaar oud was, waarna zijn vader voor de vierde maal trouwde. Over Jean-Louis’ jeugd is niet meer bekend dan dat hij twee zusters en twee stiefbroers had. Ook over zijn eventuele opleiding is niets overgeleverd.

De Franse Revolutie bood Fleury kansen die hem – gezien zijn eenvoudige komaf – onder het ancien régime zouden zijn onthouden. In juli 1793 gaf hij, negentien jaar oud, gehoor aan de oproep van het ‘Comité de Salut Public’ om als militair vrijwilliger het vaderland te verdedigen tegen de vijanden van de Franse Republiek. In de rang van sergeant-majoor vertrok Fleury vervolgens als kwartiermeester van het 1ste Parijse bataljon met de ‘Armée des Côtes de Cherbourg’ naar Normandië. In plaats van hier deel te nemen aan de strijd tegen de binnenlandse tegenstanders van het revolutionaire bewind, werd hij door zijn superieuren al snel bestemd voor stafwerk en trad hij op als particulier secretaris van de elkaar in hoog tempo opvolgende legercommandanten.

Begin maart 1795 werd Fleury overgeplaatst naar Parijs, waar hij op het ministerie van Oorlog een functie kreeg bij het Topografisch Bureau. Hier was in de late zomer van dat jaar ook generaal Napoleon Bonaparte enkele weken werkzaam. Door hem maakte hij kennis met de zeventienjarige Louis Bonaparte, die zijn broer als adjudant diende. Nadat vorige verzoeken om bevordering zonder resultaat waren gebleven, ontving Fleury eind januari 1796 de rang van sous-lieutenant bij een regiment Jagers te Paard.

Als adjudant van generaal Henri Clarke, zijn chef op het Topografisch Bureau, vergezelde hij deze vanaf november 1796 naar het hoofdkwartier van generaal Bonaparte, die in Noord-Italië met veel succes oorlog voerde tegen de Oostenrijkers. Hier zou het contact met Louis Bonaparte zich hernieuwen en uitgroeien tot een vriendschap; de twee generatiegenoten brachten veel tijd in elkaars gezelschap door. Precies een jaar zou dit gezamenlijke verblijf duren. Op het schilderij dat Guillaume Guillon Lethière in 1805 zou vervaardigen van de ondertekening van het voorlopige vredesverdrag van Leoben op 17 april 1797 is Fleury – sinds eind januari 1797 eerste luitenant – direct achter generaal Bonaparte als secretaris afgebeeld.

Cuviller-Fleury – zoals hij zich inmiddels noemde – hervatte zijn werkzaamheden op het ministerie in Parijs. In februari 1799 trad hij in het huwelijk met zijn vriendin, Suzanne Houdin, en vier maanden later werd het eerste van hun in totaal vijf kinderen geboren. Nadat Napoleon Bonaparte eind 1799 door middel van een staatsgreep aan de macht was gekomen, stapte hij korte tijd later van het Topografisch Bureau op het ministerie over naar Napoleons persoonlijke Topografisch Kabinet, waar hij chef du bureau werd. In deze hoedanigheid maakte hij de Franse overwinningen mee bij Marengo (1800) en bij Austerlitz (1805).

Vanaf deze tijd behoorde Cuviller-Fleury tot de beste vrienden van Louis Bonaparte: zij onderhielden een frequente correspondentie en, naar verluidt, ‘maakten zij iedere dag arm in arm een wandeling’ (Etivant). Het is daarom allerminst verrassend dat Louis Bonaparte, toen hij in het voorjaar van 1806 door Napoleon op de troon van Holland werd geplaatst, Cuviller-Fleury vroeg met hem mee te gaan. Vele Franse vrienden en bekenden vergezelden de nieuwe koning naar Den Haag, waar zij een functie kregen in zijn hofhouding. Nadat Napoleon had bewilligd in diens vertrek bij het Topografisch Kabinet, werd Cuviller-Fleury op 5 juni 1806 aangesteld als kabinetssecretaris van koning Lodewijk Napoleon. Zijn gezin volgde hem.

De koning bleef zijn vriend met gunsten overladen. Al op 8 juli 1806 benoemde hij hem tot staatsraad in buitengewone dienst bij de Sectie Wetgeving en Algemene Zaken. Tot en met 31 december 1807 combineerde Cuviller-Fleury dit ambt met zijn functie ten paleize. Daar werd hij op 9 februari 1807 bevorderd tot eerste kabinetssecretaris, en toen eind 1807 de hofhouding werd gereorganiseerd, ontving hij op 21 november het coördinerende ambt van Kanselier van de Koning. Eerder, op 1 januari 1807, had hij het ridderkruis in de door Lodewijk Napoleon ingestelde Orde van de Unie ontvangen. En eind augustus van dat jaar was Lodewijk Napoleon opgetreden als peetvader van Cuviller-Fleury’s jongste dochter, die de veelzeggende voornamen Louise-Hortense droeg.

In Parijs zag Napoleon dit alles met verbazing aan. Hij dichtte ‘le petit Fleury’ slechts beperkte talenten toe en achtte een benoeming in de verantwoordelijke functie van Kanselier onverstandig (Rocquain, 146). Eerder al had de keizer Lodewijk Napoleons verzoek om zijn vriend op te nemen in het Legioen van Eer afgewezen.

Vanaf eind 1807 veranderde langzaam maar zeker de houding van de koning tegenover de Fransen die hem als dienaren waren gevolgd. Naarmate hij steeds vaker in aanvaring kwam met keizer Napoleon over het in Holland te voeren beleid, bezag Lodewijk Napoleon sommige vrienden en vertrouwelingen van weleer met groeiende achterdocht; hij verdacht hen ervan handlangers en spionnen van zijn broer te zijn. De ene na de andere Franse hoffunctionaris werd weggezonden of vertrok uit zichzelf. Hun posten werden ingenomen door Hollanders.

Dit lot was ook Cuviller-Fleury beschoren. Naar verluidt werd hij in toenemende mate het slachtoffer van Lodewijk Napoleons pesterijen en sarcasmen, waar hij slecht tegen kon (Garnier, 118-119). Al na vijf maanden, op 18 april 1808, ontnam de koning hem het kanseliersambt en benoemde hij in zijn plaats een Nederlander. Cuviller-Fleury bleef – op hetzelfde traktement – aan het hof verbonden als kabinetsraad en vanaf 10 november 1809 als eerste kabinetsraad: een fraaie titel ‘die de ongenade moest verhullen’ (Dainville-Barbiche, 14).

Op 1 juli 1810 was het ineens afgelopen. De druk die de Franse keizer op hem uitoefende werd Lodewijk Napoleon te veel, en zonder zijn hofpersoneel in te lichten begaf hij zich die dag in buitenlandse ballingschap. Met Cuviller-Fleury was het op dat moment slecht gesteld. De jarenlange vijandige bejegening door de koning zou hem zozeer hebben aangegrepen dat zijn verstandelijke vermogens er door waren aangetast. Zonder veel middelen van bestaan zat er voor zijn echtgenote niets anders op dan met haar geesteszieke man en vijf jonge kinderen terug te keren naar Frankrijk. Cuviller-Fleury zou niet meer herstellen en overleed begin 1815 krankzinnig in Parijs.

Louis Bonaparte was zijn vriend Cuviller-Fleury niet vergeten. Wellicht uit wroeging of uit mededogen probeerde hij het lot van diens weduwe te verlichten. Vanuit zijn Italiaanse ballingsoord stelde hij haar voor haar oudste zoon, de zeventienjarige Alfred-Auguste, van wie hij eveneens de peetvader was, bij zich te nemen. De begaafde jongen – hij werd later een gevierd literair criticus – begaf zich naar Rome, waar hij de voormalige koning van Holland in 1819-1820 als secretaris zou dienen. Na meer dan een jaar zond de wispelturige Louis hem ‘onder een doorzichtig voorwendsel’ (Garnier, 119) terug naar zijn moeder in Parijs.


Literatuur:
Portret:
Luitenant Jean-Louis Fleury als secretaris bij de ondertekening van het vredesverdrag van Leoben op 17 april 1797; detail uit een schilderij, olie op doek, door Guillaume Guillon Lethière uit 1805; Museum Château de Versailles (Frankrijk).

A.J.C.M. Gabriëls

laatst gewijzigd: 04/07/2018